ECLI:NL:RBDHA:2021:3353

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 maart 2021
Publicatiedatum
7 april 2021
Zaaknummer
NL21.3817
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser is op 12 maart 2021 ten onrechte in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de bewaring op 16 maart 2021 opgeheven en een nieuwe maatregel opgelegd. Tevens bood verweerder een schadevergoeding aan van €520 en proceskostenvergoeding van €534, welke eiser accepteerde.

Eiser handhaafde het beroep tegen de bewaring omdat hij meent dat een onrechtmatige strafrechtelijke aanhouding voorafging en dat dit de bewaring onrechtmatig maakt. De rechtbank oordeelt echter dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep, aangezien het belang slechts een principiële rechtsvraag betreft.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat verweerder al heeft toegezegd de proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter Kessels en griffier Van Buggenum.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.3817

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: D. Berben).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 maart 2021 de maatregel van bewaring opgeheven en per diezelfde datum een nieuwe maatregel opgelegd. Bij brief van 19 maart 2021 heeft verweerder aan gemachtigde laten weten bereid te zijn tot het vergoeden van schade van eiser vanaf de datum van oplegging van de bewaring.
De gemachtigde van eiser heeft op 19 maart 2021 laten weten het beroep tegen de maatregel van bewaring toch te handhaven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021. De zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring van 16 maart 2021 (zaaknummer NL21.3956).
Eiser is middels videoverbinding gehoord, waarbij als tolk aanwezig was de heer M. Iqachaura. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft van verweerder een schadevergoeding aangeboden gekregen, omdat is gebleken dat eiser op 12 maart 2021 ten onrechte op grond van artikel 59a, van de Vw 2000, in bewaring gesteld. Verweerder is bereid eiser een bedrag van € 520,- (4 x € 130,-) te vergoeden. Tevens is verweerder bereid de proceskosten tot een bedrag van € 534,- (1 punt) te vergoeden.
2. Eiser is het eens met het aangeboden bedrag aan schadevergoeding.
3. De rechtbank ziet zich daarom allereerst gesteld voor de vraag of eiser nog een rechtens te beschermen belang heeft bij de beoordeling van onderhavig beroep. Volgens eiser is dat belang er, omdat volgens hem aan de maatregel van bewaring een onrechtmatige strafrechtelijke aanhouding is voorafgegaan. Eiser wenst een uitspraak over de vraag of deze onrechtmatigheid maakt dat de bewaring tevens op die grond onrechtmatig was.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij (nog) procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Het belang dat eiser naar voren brengt is enkel gelegen in de beantwoording door de rechtbank van een principiële rechtsvraag. Dit is volgens vaste rechtspraak onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu verweerder al heeft toegezegd de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.