ECLI:NL:RBDHA:2021:3363

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2021
Publicatiedatum
7 april 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3594
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 InvorderingswetArt. 32 InvorderingswetArt. 7 Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursaansprakelijkheid voor onbetaalde naheffingsaanslagen loonheffingen bevestigd

Eiser is als bestuurder van de vennootschap aansprakelijk gesteld voor onbetaalde naheffingsaanslagen loonheffingen over meerdere tijdvakken. De vennootschap had geen tijdige melding van betalingsonmacht gedaan, waardoor volgens de Invorderingswet het vermoeden geldt dat het niet betalen aan de bestuurder te wijten is.

Eiser voerde aan dat hij niet aansprakelijk kon worden gesteld omdat er geen kennelijk onbehoorlijk bestuur was en dat de afwijzing van het bezwaar disproportioneel was, mede vanwege de coronacrisis. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om een betalingsregeling niet kwalificeert als melding van betalingsonmacht en dat eiser geen bewijs leverde dat het niet tijdig melden niet aan hem te wijten was.

De rechtbank stelde vast dat eiser als bestuurder verantwoordelijk was voor het juiste betalings- en aangiftegedrag, maar hieraan geen zorg had besteed, waardoor ook de verzuimboetes en kosten terecht aan hem werden toegerekend. De rechtbank wees het beroep af en benadrukte dat de hardheidsclausule niet door haar kan worden toegepast.

De uitspraak werd gedaan door rechter A.D. van Riel en griffier P. Jasperse op 13 april 2021. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de aansprakelijkheid van eiser als bestuurder voor onbetaalde naheffingsaanslagen loonheffingen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 20/3594

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 19 november 2019 eiser aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd aan [B.V. 1] B.V. (de vennootschap), alsmede voor de aan de belastingschuldige opgelegde verzuimboeten en de aan haar in rekening gebrachte kosten.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2020 de beschikking gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft voor de zitting een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2021.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [A] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is per 24 januari 2017 bestuurder van [B.V. 2] B.V., welke sinds 24 januari 2017 alle aandelen in [B.V. 1] B.V. houdt. Eiser is derhalve middellijk bestuurder van de vennootschap.
2. De vennootschap heeft over de tijdvakken juli 2017 tot en met augustus 2018 en de tijdvakken januari 2019 tot en met juli 2019 naheffingsaanslagen loonheffing opgelegd gekregen. Deze aanslagen zijn onbetaald gebleven.
3. Op 18 december 2018 is een uitstelregeling afgesproken. Deze regeling is op
11 februari 2019 ingetrokken wegens niet nakomen van de regeling. Het beroep bij de directeur Wettelijke Taken van de Belastingdienst is op 22 mei 2019 afgewezen. Er is op
6 juni 2019 uitstel verleend tot 1 juli 2019 in verband met het indienen van een teruggaaf omzetbelasting over de periode 2002 t/m 2014. Op 17 juli 2019 heeft de inspecteur het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
4. Op 19 november 2019 is eiser op grond van artikel 36 van Pro de Invorderingswet (IW) aansprakelijk gesteld voor de onder 2 genoemde onbetaalde naheffingsaanslagen loonheffingen van de vennootschap. Verweerder heeft eiser op grond van artikel 32, tweede lid, van de IW eveneens aansprakelijk gesteld voor de kosten die verband houden met de belastingschuld en de opgelegde verzuimboetes. Het bedrag van de aansprakelijkheid bedraagt € 62.509. Dit bedrag bestaat uit loonheffing € 56.320, kosten € 4.453 en verzuimboetes € 1.736.

Geschil5. In geschil is of eiser terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen van de vennootschap.

6. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte aansprakelijk heeft gesteld. Verder stelt eiser dat het niet betalen van de belastingschulden door de vennootschap niet het gevolg is van aan hem te wijten (kennelijk) onbehoorlijk bestuur. Tot slot stelt eiser dat de afwijzing van het bezwaar een disproportionele beslissing is. Volgens eiser dient verweerder af te wijken van de wetgeving in verband met de gevolgen van de coronacrisis.
7. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken.
Beoordeling van het geschil
8. Niet in geschil is dat eiser in de tijdvakken waarop de naheffingsaanslagen zien, bestuurder was van de vennootschap. Volgens artikel 36, eerste lid, van de IW is de bestuurder van een vennootschap in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor (onder meer) de loonbelasting die de vennootschap verschuldigd is. Op grond van artikel 36, tweede lid, IW is een vennootschap verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat zij niet tot betaling van de verschuldigde belasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan verweerder. Artikel 7, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (Uitvoeringsbesluit) bepaalt dat de mededeling van betalingsonmacht moet worden gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting moet zijn voldaan. Indien een vennootschap op juiste wijze heeft meegedeeld dat zij niet tot betaling van de verschuldigde belasting in staat is, is de bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling. Dat daarvan sprake is moet door verweerder aannemelijk worden gemaakt. Indien echter niet op de juiste wijze de betalingsonmacht is gemeld, wordt vermoed dat het niet betalen aan de bestuurder te wijten is. De bestuurder wordt alleen toegelaten tot weerlegging van dat vermoeden, wanneer hij aannemelijk maakt dat het niet op juiste wijze melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is. Dit volgt uit artikel 36, derde en vierde lid, IW.
9. Niet gesteld dan wel gebleken is dat er een melding van betalingsonmacht is gedaan. Namens de vennootschap is wel een verzoek om een betalingsregeling gedaan. In sommige gevallen kan een verzoek om een betalingsregeling worden aangemerkt als melding van betalingsonmacht. Ter zitting heeft verweerder echter onweersproken gesteld dat het door de vennootschap ingediende verzoek niet kwalificeert als melding van betalingsonmacht, wegens het ontbreken van gegevens waarmee inzicht wordt gegeven in de reden van de betalingsproblemen. Er is, voor zover het de onder 2 genoemde naheffingsaanslagen betreft, dus niet tijdig gemeld dat sprake is van betalingsonmacht. Nu gesteld noch gebleken is dat de niet tijdige melding niet aan eiser te wijten is geweest, wordt vermoed dat het niet betalen van de onder 2 genoemde naheffingsaanslagen aan eiser te wijten is. Eiser is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen.
10. Verweerder heeft eiser op grond van artikel 32, tweede lid, van de IW eveneens aansprakelijk gesteld voor de verzuimboetes en kosten. Eiser is op grond van artikel 32 van Pro de IW alleen aansprakelijk voor de verzuimboetes en vervolgingskosten, indien verweerder aannemelijk maakt dat eiser een verwijt treft ten aanzien van het belopen daarvan. In de beschikking aansprakelijkstelling heeft verweerder aangegeven dat het ontstaan hiervan eiser kan worden verweten, omdat hij als bestuurder geen zorg heeft gedragen voor het namens de vennootschap doen van tijdige afdrachten van loonheffing. De rechtbank volgt verweerder daarin nu eiser als (enig) bestuurder verantwoordelijk is voor het juiste aangifte- en betalingsgedrag van de vennootschap, maar desalniettemin daarvoor geen zorg heeft gedragen.
11. Eiser stelt dat de aansprakelijkheidsstelling disproportioneel is en dat er dient te worden afgeweken van de wetgeving in verband met de gevolgen van de coronacrisis. De regeling voor de bestuursaansprakelijkheid biedt evenwel geen wettelijke grondslag om te toetsen of de aansprakelijkstelling proportioneel is. Voor zover eiser met deze stelling een beroep heeft willen doen op toepassing van de hardheidsclausule moet de rechtbank zich van een oordeel onthouden, omdat aan de rechtbank niet de bevoegdheid is gegeven een beschikking aansprakelijkstelling op grond van bijzondere hardheid te verminderen; dat is voorbehouden aan de Minister van Financiën.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.