ECLI:NL:RBDHA:2021:3409
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten boven norm
Eiseres ontving vanaf 4 maart 2019 een bijstandsuitkering. Vanaf 1 juni 2019 ging zij werken als zorgverlener met een bruto maandinkomen van €1.456, wat boven haar bijstandsnorm lag. Verweerder trok daarom de uitkering vanaf juni 2019 in en vorderde de reeds betaalde bijstand over juni en juli 2019 terug.
Eiseres had met verweerder afgesproken dat de uitkering over juni en juli 2019 zou worden uitbetaald en later teruggevorderd, vanwege vertraging in salarisuitbetaling. Zij vroeg op 22 augustus 2019 de uitkering te blijven ontvangen tot haar salaris werd uitbetaald. Verweerder ontving bankafschriften waaruit bleek dat eiseres inkomsten had ontvangen en deels gespaard.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de uitkering had ingetrokken en teruggevorderd, omdat eiseres vanaf juni 2019 inkomsten had die haar bijstandsnorm overschreden. Het bezwaar dat eiseres geen inkomsten had ten tijde van het besluit werd verworpen. Ook het argument dat zij vanaf september 2019 geen salaris meer ontving, faalde omdat dit buiten de beoordelingsperiode viel.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter P.M. de Keuning op 5 maart 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.