ECLI:NL:RBDHA:2021:3409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2021
Publicatiedatum
7 april 2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 8081
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 ParticipatiewetArt. 58 lid 2 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten boven norm

Eiseres ontving vanaf 4 maart 2019 een bijstandsuitkering. Vanaf 1 juni 2019 ging zij werken als zorgverlener met een bruto maandinkomen van €1.456, wat boven haar bijstandsnorm lag. Verweerder trok daarom de uitkering vanaf juni 2019 in en vorderde de reeds betaalde bijstand over juni en juli 2019 terug.

Eiseres had met verweerder afgesproken dat de uitkering over juni en juli 2019 zou worden uitbetaald en later teruggevorderd, vanwege vertraging in salarisuitbetaling. Zij vroeg op 22 augustus 2019 de uitkering te blijven ontvangen tot haar salaris werd uitbetaald. Verweerder ontving bankafschriften waaruit bleek dat eiseres inkomsten had ontvangen en deels gespaard.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de uitkering had ingetrokken en teruggevorderd, omdat eiseres vanaf juni 2019 inkomsten had die haar bijstandsnorm overschreden. Het bezwaar dat eiseres geen inkomsten had ten tijde van het besluit werd verworpen. Ook het argument dat zij vanaf september 2019 geen salaris meer ontving, faalde omdat dit buiten de beoordelingsperiode viel.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter P.M. de Keuning op 5 maart 2021.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/8081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Catakli).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2019 (primair besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 juni 2019 ingetrokken en
€ 1.953,17 over de maanden juni en juli 2019 teruggevorderd.
Bij besluit van 16 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
Eiseres ontvangt met ingang van 4 maart 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Pw.
1.2
Op 7 juni 2019 heeft eiseres aan verweerder gemeld dat zij vanaf 1 juni 2019 is gaan werken als zorgverlener op basis van een zorgovereenkomst voor 28 uur per week met een bruto maandinkomen van € 1.456,-. Dat inkomen is (ruim) boven de voor eiseres geldende bijstandsnorm.
1.3
Omdat het salaris (door de Sociale Verzekeringsbank vanuit een persoonsgebonden budget) met vertraging aan eiseres werd uitbetaald, heeft eiseres met verweerder afgesproken dat haar uitkering over juni en juli 2019 zou worden uitbetaald en nadien zou worden teruggevorderd.
1.4
Op 22 augustus 2019 heeft eiseres verweerder per e-mail gevraagd de bijstandsuitkering te blijven betalen, omdat zij haar salaris pas eind september verwachtte. Zij meldde daarbij ook haar inkomsten (conform het advies van verweerder) te zullen reserveren om die nadien met de ontvangen bijstand te kunnen verrekenen.
1.5
Verweerder heeft op 22 augustus 2019 bankafschriften van eiseres ontvangen, waaruit blijkt dat zij € 1.689,00 van de Belastingdienst heeft ontvangen en van dat bedrag
€ 1.450,00 naar haar spaarrekening heeft overgeboekt.
1.6
Eiseres heeft op 22 augustus 2019 het salaris over juni 2019 ontvangen.
1.7
Bij het primaire besluit heeft verweerder de uitkering van eiseres per juni 2019 ingetrokken en is wegens betaalde bijstand in juni en juli 2019
€ 1.953,17 teruggevorderd.
1.8
De zorgovereenkomst op grond waarvan eiseres werk verrichtte is per
19 september 2019 door de werkgever opgezegd. Eiseres heeft salaris ontvangen tot september 2019 (op 28 augustus 2019 is het salaris over juli 2019 uitbetaald en op
23 september 2019 is het salaris over augustus 2019 uitbetaald).
1.9
Op 30 oktober 2019 heeft eiseres opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd.
2. Bij het bestreden besluit is het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen recht op bijstand bestond vanaf juni 2019, gelet op de hoogte van de inkomsten van eiseres vanaf die maand. Met eiseres is afgesproken dat de uitkering over de maanden juni en juli 2019 nog zou worden uitbetaald en vervolgens zou worden teruggevorderd en voorts dat eiseres de maanden augustus en september 2019 met het onder 1.5 bedoelde geld zou overbruggen in afwachting van de uitbetaling van haar salaris. Tijdens de hoorzitting van 3 december 2019 is voor het eerst aan verweerder meegedeeld dat eiseres vanaf september geen salaris meer ontving.
3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De te beoordelen periode loopt van 1 juni 2019 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 23 augustus 2019 (de datum van het intrekkingsbesluit).
5. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte ervan uitgaat dat eiseres over voldoende inkomsten beschikt, waardoor geen recht op bijstand bestaat.
5.1
Deze grond faalt. Eiseres heeft deze grond niet nader toegelicht. Voor zover eiseres hiermee beoogt aan te voeren dat zij - zoals zij tijdens de hoorzitting heeft aangevoerd - ten tijde van het primaire besluit niet beschikte over inkomsten, geldt dat dat niet juist is. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de inkomsten van eiseres vanaf 22 augustus 2019 aan haar zijn uitbetaald. Dit blijkt ook uit de stukken.
6. Eiseres voert verder aan dat verweerder er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat zij geen inkomsten meer ontvangt sinds 1 september 2019.
6.1
Deze grond faalt reeds omdat dit buiten de te beoordelen periode valt. Het is aan eiseres om een nieuwe aanvraag in te dienen op het moment dat zij (weer) in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
7. Geconcludeerd wordt dat verweerder - vanwege inkomsten van eiseres boven de voor haar geldende bijstandsnorm vanaf juni 2019 - de uitkering van eiseres (op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw) vanaf dat moment heeft kunnen intrekken en de sindsdien aan eiseres verstrekte bijstand (op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw) heeft kunnen terugvorderen. Tegen de hoogte van het teruggevorderde bedrag zijn geen gronden aangevoerd.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.