Verzoekster, een 58-jarige vrouw uit Suriname met het syndroom van Down, woont sinds meer dan drieënhalf jaar bij haar zus in Nederland. Haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'familie en gezin' is door de staatssecretaris afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd en er onvoldoende bewijs was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.
Verzoekster betoogt dat zij exclusief afhankelijk is van haar zus vanwege haar beperkte functioneringsniveau, het ontbreken van een zorgnetwerk in Suriname, en het feit dat andere familieleden niet in staat of bereid zijn voor haar te zorgen. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat er in Suriname geen familie of instellingen zijn die de benodigde 24-uurszorg kunnen bieden.
De voorzieningenrechter weegt het zwaarwegende belang van verzoekster om in Nederland te blijven en de beslissing op bezwaar af te wachten zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om haar uit te zetten. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en mag verzoekster niet worden uitgezet totdat op haar bezwaar is beslist.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak is onherroepelijk en gebaseerd op vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.