Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] , [C] en [D] .
Overwegingen
en[werknemert]
meegedeeld nog enige tijd in de onderneming te zullen blijven om een beeld te krijgen van het aantal klanten dat de onderneming bezoekt en om inzicht te krijgen in de gemiddelde omzet die per klant wordt behaald. (…)
en[werknemer]
verzocht om opnieuw het kasgeld voor te tellen. De omzet volgens de kastelling hebben wij vergeleken met de omzet volgens de kastelling van 13.45 uur. Het verschil is besteed door de 42 door ons getelde klanten.
Bij de hieronder genoemde coffeeshops zijn in Rotterdam zijn in de jaren 2014 tot en met heden meerdere waarnemingen ter plaatse ingesteld, waarbij gedurende een bepaalde periode in de onderneming het aantal klanten is geteld, dat één of meerdere cannabisproducten kocht en waarbij tevens de gemiddelde besteding per klant is vastgesteld. De bevindingen uit de waarnemingen ter plaatse zijn geanonimiseerd en als bijlage bijgevoegd.
(minder dan 5 minuten lopen) zijn vier coffeeshops gevestigd die een vergelijkbaar assortiment aanbieden en ook vergelijkbare verkoopprijzen hanteren. De gegevens wijzen uit dat de gemiddelde besteding per klant in die shops niet afwijkt van de gemiddelde besteding zoals die ons op 18 oktober 2013 bij[de coffeeshop]
is waargenomen.”
vastgestelde gemiddelde besteding per klant een reële weergave is van de werkelijke gemiddelde besteding per klant.
”
“7.3. De Inspecteur heeft zijn stelling dat de vennootschap in de kasadministratie niet de daadwerkelijke inkomsten en uitgaven heeft geboekt, tegenover de betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat de vennootschap de in- en verkoop van cannabis en daarmee verband houdende contante betalingen bijhield op dagstaten en kasstaten en belanghebbende onvoldoende weersproken heeft gesteld dat de kas dagelijks werd geteld. Het Hof acht aannemelijk dat deze wijze van vastlegging zorgde voor een redelijk sluitende administratie waaruit de voor de belastingheffing relevante gegevens voldoende duidelijk bleken. Dat de administratie van de in- en verkoop van cannabis en daarmee verband houdende contante betalingen niet foutloos was, brengt - nu de geconstateerde fouten naar het oordeel van het Hof van relatief geringe betekenis waren - het Hof niet tot een ander oordeel.
15 november 2017 heeft verweerder aangekondigd dat het boekenonderzoek is uitgebreid met de jaren 2014 tot en met 2016. Bij brief van 11 juni 2018 heeft verweerder het concept-rapport van het boekenonderzoek aan eiser gestuurd. In die brief heeft verweerder tegelijkertijd aangekondigd bij de aanslagen vergrijpboetes op grond van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) op te leggen. Het definitieve rapport van het boekenonderzoek is gedagtekend 2 augustus 2018.
Geschil14.In geschil is of de onderhavige aanslagen en beschikkingen heffings- en belastingrente terecht zijn vastgesteld. Daarbij is in het bijzonder in geschil of er grond is voor toepassing van artikel 27e van de AWR wegens het niet doen van de vereiste aangiften. Daarnaast is in geschil of de vergrijpboetes voor de jaren 2012 tot en met 2016 terecht zijn opgelegd.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert het in de aanslag IB/PVV 2011 begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 95.733 en vermindert de daarbij gegeven beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
- vermindert het in de aanslag IB/PVV 2012 begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 136.150, vermindert de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig en vernietigt de daarbij gegeven boetebeschikking;
- vermindert het in de aanslag IB/PVV 2013 begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 168.557, vermindert de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig en vernietigt de daarbij gegeven boetebeschikking;
- vermindert het in de aanslag IB/PVV 2014 begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 314.551, vermindert de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig en vernietigt de daarbij gegeven boetebeschikking;
- vermindert het in de aanslag IB/PVV 2015 begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 272.127, vermindert de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig en vernietigt de daarbij gegeven boetebeschikking;
- vermindert het in de aanslag IB/PVV 2016 begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 317.287, vermindert de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig en vernietigt de daarbij gegeven boetebeschikking;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.800,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 93 aan eiser te vergoeden.