ECLI:NL:RBDHA:2021:3658
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag voor vader minderjarige Nederlandse kinderen op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet
Eiser, een Venezolaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarmee hij rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wilde verkrijgen. Hij woont sinds augustus 2019 in Nederland bij zijn Nederlandse echtgenote en twee minderjarige kinderen. De aanvraag werd door verweerder afgewezen, waarna ook het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht en dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat weigering van het verblijfsdocument zou leiden tot het gedwongen vertrek van de kinderen uit de EU. De overgelegde verklaringen en bewijsstukken, waaronder verklaringen van een kinderfysiotherapeut en een schooldirecteur, waren onvoldoende om de noodzakelijke zorgrelatie te staven.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat eiser en zijn echtgenote in het verleden gescheiden hebben gewoond vanwege omstandigheden zoals het ontbreken van een paspoort en gezondheidsproblemen van eiser. De rechtbank benadrukte dat voor een succesvolle aanvraag meer bewijsstukken nodig zijn, zoals stempels in paspoorten, arbeidsovereenkomsten, medische verklaringen en uitgebreidere schoolverklaringen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd mondeling gedaan op 16 maart 2021.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verblijfsaanvraag wordt ongegrond verklaard.