ECLI:NL:RBDHA:2021:3709

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
14 april 2021
Zaaknummer
AWB 19/10180
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 21 Vreemdelingenwet 2000Art. 45b Vreemdelingenwet 2000Art. 3.6b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning langdurig ingezetenen en onbepaalde tijd wegens niet voldoen voorwaarden en inreisverbod

Eiser, een Marokkaanse ingezetene die sinds 1987 in Nederland verblijft, vroeg om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Tevens verzocht hij om opheffing van een vijfjarig inreisverbod dat hem in 2017 was opgelegd wegens gepleegde misdrijven.

De Staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor beide verblijfsvergunningen en het inreisverbod niet werd opgeheven. Eiser voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals een beroepsfout van zijn voormalige advocaat, aanleiding zouden moeten zijn om af te wijken van het beleid en het inreisverbod op te heffen.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor de gevraagde vergunningen, dat het inreisverbod rechtsgeldig was opgelegd en dat de aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende waren om hiervan af te wijken. Ook wees de rechtbank het beroep af dat de Staatssecretaris verplicht zou zijn om een toetsing aan artikel 8 EVRM Pro uit te voeren bij het besluit.

Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning en het inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/10180

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar,
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berkel.

Procesverloop

Op 27 mei 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Ook heeft eiser verzocht het inreisverbod van vijf jaar op te heffen dat verweerder bij besluit van 16 mei 2017 aan hem heeft opgelegd.
Bij besluit van 4 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarnaast heeft verweerder besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Er is geen reden om het inreisverbod op te heffen.
Bij besluit van 28 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2021 in Dordrecht. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij is, naar eigen zeggen, in 1987 Nederland binnengekomen. Op 13 januari 1989 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging. Per 17 november 1994 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Op 1 juli 2015 is aan eiser het voornemen bekendgemaakt om zijn verblijfsvergunning in te trekken en aan hem een inreisverbod op te leggen. Hiervan is afgezien bij besluit van 25 november 2015. Bij besluit van 16 mei 2017 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning per 16 augustus 2013 ingetrokken en aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaren. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser nieuwe misdrijven heeft gepleegd, waarvoor hij is veroordeeld. Eisers bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 13 november 2017 kennelijk ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 februari 2018 (17/16297). Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, omdat eiser niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet. Per 16 augustus 2013 is eiser niet meer in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel. Daarnaast voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Ook voldoet eiser niet aan de voorwaarden om het inreisverbod op te heffen.
3. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit aanvullend op het standpunt gesteld dat het besluit van 13 november 2017 in rechte vaststaat. Als eiser meent dat hij verblijf kan ontlenen aan artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan dient hij daarvoor een aanvraag in te dienen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan verweerder eisers aanvraag toch zou moeten inwilligen.
Beoordeling door de rechtbank
Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
4. Eiser voert aan dat verweerder niet verplicht is om de aanvraag om de verblijfsvergunning af te wijzen als zich één van de gronden in artikel 21 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voordoet. Verweerder kan hem op grond van bijzondere omstandigheden een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verlenen. Verweerder heeft dat hier ten onrechte nagelaten. Eiser licht deze beroepsgrond als volgt toe.
4.1.
Een bijzondere omstandigheid is dat hij door een beroepsfout van zijn voormalige advocaat niet inhoudelijk kon procederen tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft eerder afgezien van de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Sinds die tijd is het gevaar dat hij voor de openbare orde zou vormen niet wezenlijk veranderd. Uit de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 11 september 2018 (AWB 17/9261) volgt dat verweerder, gelet op artikel 8 van Pro het EVRM, de situatie bij een intrekking van een verblijfsvergunning op grond van de openbare orde moet vergelijken met de situatie waarin eerder is afgezien van deze intrekking en van het opleggen van het inreisverbod. Het enkel noemen van nieuwe delicten is onvoldoende. Verweerder heeft deze vergelijking nimmer gemaakt. Hij heeft daadwerkelijk nog reclasseringskansen, gelet op de brief van Antes die in de bezwaarprocedure is ingediend. Verweerder is hierop niet ingegaan. Weliswaar heeft hij na 25 november 2015 delicten gepleegd, maar de ernst ervan is niet gewijzigd. Verweerder is hierop niet ingegaan. Dit klemt temeer, omdat de Afdeling Advies van de Raad van State op 28 november 2011 heeft geadviseerd om alleen tot verblijfsbeëindiging over te gaan in zeer uitzonderlijke gevallen indien een persoon al meer dan 20 jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven, aldus eiser.
4.2.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat hier niet van een zo bijzondere omstandigheid sprake is dat eiser om die reden de gevraagde vergunning verleend had moeten worden. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. In dat geval wordt de aanvraag om deze vergunning volgens artikel 45b van de Vw afgewezen. Het staat ook niet ter discussie dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Eiser heeft reeds niet direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf genoten als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Vw. Verder is het beleid volgens paragraaf B12/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dat verweerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afwijst wanneer één van de in artikel 21, eerste lid, van de Vw genoemde gronden zich voordoet, voor zover artikel 21, tweede, derde en vierde lid, van de Vw en de artikelen 3.92, 3.93, 3.94, 3.95, 3.96 en 3.96a van Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) hierop geen uitzondering maken. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke uitzondering zich voordoet.
Op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht handelt verweerder overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het is aan eiser om dergelijke bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. De beroepsfout van eisers voormalige gemachtigde, die bestaat uit het te laat indienen van beroepsgronden tegen het besluit van 13 november 2017, is geen dergelijke bijzondere omstandigheid. Deze fout komt voor rekening en risico van eiser.
Ook kan de door eiser ingediende aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd niet afdoen aan het besluit van 13 november 2017, dat in rechte vaststaat. De uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Roermond, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het in die zaak ging om een beroep over de intrekking van een verblijfsvergunning. De intrekking van eisers verblijfsvergunning per 16 augustus 2013 staat nu niet ter beoordeling. Bovendien heeft verweerder bij het besluit van 13 november 2017 vastgesteld dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Dat eiser reclasseringskansen zou hebben en nu geen groter gevaar voor de openbare orde zou opleveren dan voorheen, doet geen afbreuk aan het bestreden besluit. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat verweerder bij het bestreden besluit heeft betrokken, en ter zitting onweersproken heeft gesteld, dat eiser is doorgegaan met het plegen van misdrijven waarvoor eiser onherroepelijk is veroordeeld. Het gaat in elk geval om pleegdata 17 mei 2018 (diefstal uit/vanaf auto), 2 april 2018 (diefstal uit/vanaf auto), 3 juli 2017 (winkeldiefstal), 9 juni 2017 (diefstal uit/vanaf auto) en 25 mei 2016 (diefstal uit/vanaf auto). Het advies van de Raad van State over de omstandigheden waaronder verweerder tot verblijfsbeëindiging zou kunnen overgaan, biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een opheffing van het inreisverbod.
Verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
5. Eiser voert aan dat verweerder hem met toepassing van artikel 3.6b van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan verlenen als zijn uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder is hierop in het bestreden besluit niet ingegaan. Hij is een ‘settled migrant’, aldus eiser.
De rechtbank volgt de stelling van eiser niet, om de volgende redenen.
5.1.
Op grond van artikel 3.6b van het Vb is verweerder bevoegd om te beoordelen of eiser aanspraak heeft op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:567). Verweerder is hiertoe in het geval van eiser echter niet verplicht. Eiser heeft dit namelijk niet (op basis van beleid van verweerder) aannemelijk gemaakt. Bij het bestreden besluit is verweerder op het verzoek om toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM ingegaan door eiser te wijzen op de mogelijkheid hiertoe een aanvraag in te dienen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Ook heeft verweerder ter zitting terecht gewezen op het feit dat al in het intrekkingsbesluit van 16 mei 2017 een toets aan artikel 8 van Pro het EVRM is verricht. Uit wat eiser in beroep heeft aangevoerd, blijkt niet dat verweerder desondanks (vanwege bijzondere omstandigheden) gehouden was om bij het bestreden besluit een beoordeling op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verrichten.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.G. Bos, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 april 2021.
De griffier is buiten staat. De rechter is verhinderd te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.