ECLI:NL:RBDHA:2021:3739
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing omgangsregeling minderjarige
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling, die via een e-mail van 11 februari 2021 een omgangsschema voor de minderjarige en haar ouders had vastgesteld.
De e-mail werd door de rechtbank aangemerkt als een schriftelijke aanwijzing in de zin van artikel 1:265f BW, omdat het een dwingende opdracht met rechtsgevolg bevatte. De rechtbank oordeelde echter dat deze aanwijzing onzorgvuldig tot stand was gekomen, omdat de vader geen vooraankondiging had ontvangen en geen mogelijkheid tot inspraak had gehad. Tevens ontbrak een deugdelijke motivering in de aanwijzing, wat in strijd is met artikel 3:46 Awb Pro.
Hoewel de gecertificeerde instelling ter zitting een toelichting gaf over de opbouwfase van de omgang, achtte de rechtbank het beter dat de aanwijzing vervalt en de gecertificeerde instelling opnieuw een aanwijzing uitbrengt met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank zag geen aanleiding zelf een omgangsregeling vast te stellen, omdat de omgang zich in een opbouwende fase bevindt en de gecertificeerde instelling de regie moet houden. De schriftelijke aanwijzing werd vervallen verklaard en het verzoek tot het vaststellen van een minimumomgangsregeling werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de schriftelijke aanwijzing van 11 februari 2021 vervallen wegens onzorgvuldige totstandkoming en onvoldoende motivering.