ECLI:NL:RBDHA:2021:3768

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2021
Publicatiedatum
15 april 2021
Zaaknummer
AWB - 20 / 4723
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Kinderrechtenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke pleegouder-pleegkindrelatie

Eisers, vijf Somalische broers en zussen, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan voor het doel nareis bij hun oudere broer, die na het overlijden van hun ouders de zorg voor hen zou hebben overgenomen. De staatssecretaris wees de aanvragen af wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke en feitelijke pleegouder-pleegkindrelatie.

De rechtbank oordeelt dat eisers en referent tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over hun woon- en gezinsomstandigheden, waardoor de pleegouder-pleegkindrelatie niet aannemelijk is. Ook de overgelegde financiële transacties, vliegtickets en foto’s bieden onvoldoende bewijs.

Het beroep op het belang van het kind uit het Kinderrechtenverdrag faalt, omdat de relatie niet is vastgesteld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van de pleegouder-pleegkindrelatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/4723

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] , V-nummer [V-nummer 1] ,

[eiser 2], V-nummer [V-nummer 2]
[eiser 3], V-nummer [V-nummer 3] ,
[eiser 4], V-nummer [V-nummer 4] ,
[eiser 5], V-nummer [V-nummer 5] ,
tezamen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis” afgewezen.
Bij besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eisers hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft per videoverbinding plaatsgevonden op 23 maart 2021. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door een waarnemer van gemachtigde, mr. M. van Werven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [A] (referent) en tolk I.A. Mohammed.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 2000, [geboortedag 2] 2002, [geboortedag 3] 2004, [geboortedag 4] 2005 en [geboortedag 5] 2007. Zij hebben de Somalische nationaliteit en zijn broers en zussen van elkaar. Referent is de oudere broer van eisers en hij stelt, sinds het overlijden van hun ouders, de zorg voor eisers op zich te hebben genomen, waardoor moet worden uitgegaan van een pleegouder-pleegkindrelatie tussen hen.
2. Verweerder heeft bewijsnood aangenomen voor wat betreft de identiteit van eisers, de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent en de overlijdensakte van de ouders. Gelet hierop zijn referent en eisers gehoord over de gestelde feitelijke gezinsband dan wel pleegrelatie. Nu er door betrokkenen meerdere tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd over de familierelatie en de feitelijke gezinsband, acht verweerder deze niet geloofwaardig. Verweerder heeft de afwijzing van de aanvragen met het bestreden besluit gehandhaafd.
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Eisers stellen dat het overlijden van hun ouders in 2008 niet in geschil is. Referent is sinds hun overlijden als oudste broer (financieel) verantwoordelijk voor de zorg voor eisers en heeft tot aan zijn vertrek met eisers samen gewoond. Deze omstandigheden zijn volgens eisers reeds voldoende om van de pleegouder-pleegkindrelatie uit te gaan. Dat eisers en referent tegenstrijdige verklaringen zouden hebben afgelegd doet hieraan niets af. Geheel subsidiair betwisten eisers dat zij tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Het gaat maar om kleine verschillen en het betreft vooral details. Voorts stellen eisers dat verweerder onvoldoende (gemotiveerd) het bijzondere belang van het kind heeft betrokken in de besluitvorming.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Nu eisers in bewijsnood zijn om hun familierechtelijke relatie en de feitelijke gezinsband als pleegouder-pleegkind met stukken te onderbouwen, wordt uitgegaan van de verklaringen van eisers en referent. Van gezinsleden die stellen dat zij een feitelijke gezinsband hebben en een pleegouder-pleegkindrelatie onderhouden, mag in redelijkheid worden verwacht dat zij over onderdelen, die zien op de familierelatie en het dagelijks leven in gezinsverband, gelijkluidend verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat eisers en referent op diverse vragen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd.
4.2.
Zo zijn de verklaringen van eisers over waar zij hebben verbleven na het overlijden van hun ouders tegenstrijdig met de verklaring van referent hierover. Referent heeft verklaard dat het ouderlijk huis ten tijde van zijn aankomst in Nederland in juli 2016, eigendom is geworden van zijn reisagent die het huis zou gaan verkopen. Eisers zouden daarom in een ander huis hebben gewoond. Eisers hebben echter verklaard dat zij tot hun vertrek naar Oeganda in 2018 in het ouderlijk huis hebben gewoond. Verder komen de verklaringen over de slaapplekken in huis en welk vervoersmiddel is gebruikt om Somalië te verlaten niet overeen. Ook is door eisers en referent niet eenduidig verklaard over het vertrek van referent en wanneer eisers hem voor het laatst hebben gezien. Eisers weten de naam van de kledingwinkel, die in het bezit is geweest van de vader van eisers en daarna in het bezit kwam van referent, niet te noemen. In beroep is geen afdoende verklaring gegeven voor de tegengeworpen tegenstrijdigheden. Van de gestelde financiële afhankelijkheid tussen eisers en referent is ook niet gebleken. De in beroep overgelegde transacties zijn daartoe onvoldoende. De in beroep overgelegde vliegtickets en foto’s, waaruit blijkt dat referent eisers begin februari 2021 in Oeganda heeft opgezocht, zijn onvoldoende om de gestelde relatie tussen eisers en referent vóór zijn vertrek uit Somalië aannemelijk te maken.
4.3.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op deze tegenstrijdige verklaringen, de pleegouder-pleegkindrelatie tussen eisers en referent niet aannemelijk heeft kunnen achten.
4.4.
Het beroep op artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind slaagt niet. Nu de pleegouder-pleegkindrelatie tussen eisers en referent niet aannemelijk is geacht, zijn eisers door het afwijzen van hun verblijfsaanvraag bij referent niet in hun belangen geschaad.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2021.
de rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.