ECLI:NL:RBDHA:2021:3792
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na uitspraak op beroep
Verzoeker, van Iraanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
Op 8 april 2021 vond de zitting plaats waarbij verzoeker werd bijgestaan door zijn gemachtigde en ondersteund door een tolk, een begeleider en een dominee die een verklaring aflegde. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu op hetzelfde moment uitspraak werd gedaan op het beroep van verzoeker (zaaknummer NL21.3897), een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M.M. Meijers en is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat reeds uitspraak is gedaan op het beroep.