ECLI:NL:RBDHA:2021:3971
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid problemen met occulte genootschap
Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De afwijzing was gebaseerd op artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat hij vanwege problemen met een occulte genootschap in Nigeria niet veilig kon terugkeren en dat de COVID-19-pandemie uitstel van vertrek rechtvaardigde.
De rechtbank oordeelde dat het bestaan van het genootschap niet in geschil was, maar dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk problemen ondervond. Zijn verklaringen waren inconsistent en tegenstrijdig, en hij kon geen concrete bedreigingen of betrokkenheid aantonen. Ook was onvoldoende onderbouwd waarom hij niet had gevraagd naar de rol van zijn vader binnen het genootschap of waarom hij geen onderzoek had gedaan naar de activiteiten van het genootschap.
Ten aanzien van het verzoek om uitstel van vertrek vanwege COVID-19 vond de rechtbank dat eiser onvoldoende medisch bewijs had geleverd dat reizen onverantwoord was. De rechtbank concludeerde dat eiser niet in aanmerking kwam voor toelating op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.