ECLI:NL:RBDHA:2021:3972
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na uitspraak op beroep verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met de hoofdzaak op 8 april 2021. Verzoeker was niet persoonlijk aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank had op dezelfde dag al uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL21.3653).
Gezien de reeds gegeven uitspraak op het beroep achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat reeds uitspraak is gedaan op het beroep.