ECLI:NL:RBDHA:2021:4296

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 april 2021
Publicatiedatum
28 april 2021
Zaaknummer
AWB 20/3077
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62a Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en ongegrondverklaring bezwaar vreemdeling

Eiser werd bij een besluit van 20 december 2019 een bevel tot onmiddellijke terugkeer naar Letland opgelegd. Verweerder verklaarde het bezwaar van eiser tegen dit terugkeerbevel niet-ontvankelijk, omdat eiser op 16 februari 2020 was uitgezet en het bevel daarmee was uitgevoerd.

Eiser betwistte het ontbreken van procesbelang en verwees naar artikel 62a, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000, dat een verplichting voor verweerder inhoudt om een terugkeerbesluit uit te vaardigen bij niet-naleving van het terugkeerbevel. De rechtbank volgde eiser hierin en verklaarde het beroep gegrond, waardoor het bestreden besluit werd vernietigd.

Subsidiair oordeelde de rechtbank dat eiser niet rechtmatig in Nederland verbleef, ondanks zijn stelling dat hij een BSN-nummer had en had kunnen werken. Verweerder stelde dat het BSN-nummer per vergissing was uitgegeven en dat eiser geen visum had om Nederland binnen te reizen. De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift ongegrond en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.068,-.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/3077

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon)
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een bevel onmiddellijke terugkeer naar Letland gegeven.
Bij besluit van 8 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021 in Dordrecht. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Verweerder geeft als reden voor het bestreden besluit dat eiser op 16 februari 2020 is uitgezet naar Letland. Het terugkeerbevel is daarmee uitgewerkt. Eiser kon met zijn bezwaar niet bereiken dat hij in een materieel gunstiger rechtspositie zou geraken. Er resteerde voor hem dus geen procesbelang meer. Eiser bestrijdt dat. Hij wijst erop dat artikel 62a, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dwingend aan verweerder voorschrijft een terugkeerbesluit uit te vaardigen indien niet aan het terugkeerbevel wordt voldaan. Het bevel schept op die manier bij niet naleving een bevoegdheid en tevens een verplichting voor verweerder een besluit in het nadeel van de betreffende vreemdeling te nemen. De rechtbank volgt eisers visie. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
2. Er zijn termen om zelf in de zaak te voorzien. Subsidiair overweegt verweerder namelijk dat het bevel terecht is gegeven, omdat ingeval van eiser sprake is van een vreemdeling die valt in de categorie van artikel 62a, eerste lid, onder b van de Vw. Eiser was niet rechtmatig in Nederland. Hijzelf bestrijdt dat, met verwijzing naar een BSN-nummer dat hij heeft gehad en waarmee hij in Nederland heeft kunnen werken. Verweerder voert daartegen aan dat BSN-nummers soms per vergissing worden uitgegeven, zoals in dit geval, dat eiser als afkomstig uit Letland Nederland niet vrij had mogen inreizen, maar moest beschikken over een visum en dat hij daarvan niet in bezit was. Eiser heeft dat verder niet bestreden en ook niet aangegeven op basis waarvan precies hij dan rechtmatig verblijf zou hebben gehad. Verder beschikte eiser over een Letse identiteitskaart-verblijfsvergunning. De rechtbank volgt verweerders standpunt en zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- zelf in de zaak voorziende: verklaart het bezwaarschrift ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid vanmr. T. Osmani, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaanop 26 april 2021.

De griffier is buiten staat. De rechter is verhinderd te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.