De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds juli 2020 onder toezicht staat vanwege ernstige bedreiging in zijn ontwikkeling. De minderjarige verblijft bij zijn moeder, die eenhoofdig het ouderlijk gezag heeft. De vader is erkend, maar de omgang tussen vader en kind is niet opgestart door gebrek aan draagkracht bij de moeder en negatieve statusvoorlichting.
De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden om de situatie te stabiliseren en te onderzoeken of contact tussen vader en kind mogelijk is. De vader stemde in met het verzoek en benadrukte zijn wens om voor zijn kind te zorgen en contact te hebben. De moeder voerde verweer en stelde dat er geen ernstige bedreiging meer is en dat hulpverlening niet langer noodzakelijk is.
De kinderrechter oordeelde dat de vader als belanghebbende moet worden aangemerkt vanwege de directe betrokkenheid bij de rechten die door de ondertoezichtstelling worden geraakt. Gelet op de omstandigheden is de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige nog aanwezig, omdat hij zijn vader niet kent en geen contact heeft. De moeder toont onvoldoende draagkracht om de omgang te faciliteren. Daarom is verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk, waarbij de gecertificeerde instelling de komende zes maanden neutrale voorlichting zal geven en contactmogelijkheden zal onderzoeken.
De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 14 oktober 2021, met behoud van de Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland als gecertificeerde instelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.