Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde-partij], te [woonplaats] , belanghebbende.
Rechtbank Den Haag
Eiser verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik van een binnenplaats door belanghebbende en diens zoon, waarbij dieren werden gehouden en opslag plaatsvond, wat volgens eiser in strijd was met het bestemmingsplan en zonder vergunning gebeurde.
Verweerder voerde aanvankelijk geen overtredingen aan, maar na een eerdere uitspraak van de rechtbank werd nader onderzoek verricht. Dit leidde tot constateringen van overtredingen die inmiddels waren beëindigd, waarna een waarschuwingsbrief werd gestuurd in plaats van direct handhavend op te treden.
Eiser stelde dat de controles onvoldoende waren, niet goed waren vastgelegd en dat handhaving direct had moeten volgen. De rechtbank oordeelde dat de controles wel degelijk waren uitgevoerd door bevoegde toezichthouders en dat de handelwijze van verweerder niet onredelijk was.
Wel vond de rechtbank dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was over de beëindiging van de overtreding met betrekking tot de houtopslag, waardoor het bestuursorgaan de gelegenheid krijgt dit gebrek te herstellen binnen vier weken.
De rechtbank hield verdere beslissingen aan en bepaalde dat over proceskosten en griffierecht nog niet wordt beslist.
Uitkomst: De rechtbank wijst het handhavingsverzoek af wegens onvoldoende motivering en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid het gebrek te herstellen.