De Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verzocht de kinderrechter om machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen wegens aanhoudende onrust en onveiligheid in de thuissituatie, met name veroorzaakt door problematische contacten van de moeder met de vader van haar andere kinderen. De moeder is belast met het ouderlijk gezag en de kinderen verblijven bij haar. De gecertificeerde instelling stelde dat de moeder op momenten ontregeld is en onvoldoende beschikbaar voor de kinderen, en dat een veilige en stabiele opvoedsituatie noodzakelijk is.
De moeder en vader voerden verweer en gaven aan dat de moeder zich aan de veiligheidsafspraken houdt en dat het gezin het momenteel goed doet. De vader betoogde dat hij een stabiele opvang kan bieden en dat eerdere plaatsing bij hem succesvol was. De kinderpsycholoog stelde vast dat er geen sprake is van trauma bij de kinderen. De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing onvoldoende actueel en concreet zijn en dat een uithuisplaatsing een uiterste maatregel is.
De rechtbank besloot het verzoek aan te houden voor drie maanden, waarbij de gecertificeerde instelling een update moet geven over de stand van zaken en de mogelijkheden voor plaatsing bij de vader opnieuw worden onderzocht. De moeder krijgt de gelegenheid om zich aan de veiligheidsafspraken te houden en het patroon van onveiligheid te doorbreken. De beslissing is mondeling gegeven op 7 april 2021 en schriftelijk vastgesteld op 21 april 2021.