ECLI:NL:RBDHA:2021:4349
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening urgentieverklaring vanwege onvoldoende spoedeisend belang
Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd wegens ongeschiktheid van haar woning voor haar jongste kind, onder meer door traumatische gebeurtenissen en achteruitgang van de psychische en lichamelijke gezondheid. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening en de Beleidsregel urgentieverklaringen, waarbij werd vastgesteld dat het woonprobleem mede veroorzaakt wordt door onderhoudsproblemen en dat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarden zoals het uitbreiden van het zoekgebied.
Verzoekster stelde dat het college ten onrechte haar aanvraag had afgewezen, onder meer omdat traumatische gebeurtenissen onvoldoende waren meegewogen en er geen medisch advies was ingewonnen. Tevens stelde zij dat de hardheidsclausule onterecht niet werd toegepast en dat de belangen van haar kinderen onvoldoende waren betrokken.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat alsnog medisch advies is gevraagd en dat een beslissing op bezwaar binnen twee weken wordt verwacht. De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit terughoudend moet worden getoetst vanwege de beleidsruimte en het restrictieve karakter van het urgentiebeleid. Het spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening is niet aangetoond, mede omdat de beslissing op bezwaar spoedig volgt en de medische situatie niet zodanig verslechtert dat wachten onaanvaardbaar is.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het spoedeisend belang niet is aangetoond.