ECLI:NL:RBDHA:2021:4775
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië
Eiser, een Syriër van Alawitische afkomst, had een eerdere verblijfsvergunning asiel die met terugwerkende kracht werd ingetrokken omdat hij Nederland in 2016 verliet en terugkeerde naar Syrië. In 2020 vroeg hij opnieuw asiel aan, stellende dat de veiligheidssituatie in zijn woonplaats verslechterd was en hij risico liep op ernstige schade.
Verweerder stelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk risico liep op ernstige schade bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat verweerder zich voldoende had gemotiveerd op basis van individuele feiten en omstandigheden, waaronder de verklaringen van eiser zelf dat hij geen problemen had ondervonden in Syrië, probleemloos had gewerkt en gereisd, en dat hij als Alawiet nauwe banden heeft met het regime.
Eisers stellingen over mogelijke loyaliteitsproblemen en bezoeken van ordetroepen aan zijn vrouw werden niet voldoende onderbouwd geacht. Ook de late indiening van een rapport van EASO en de verwijzing naar machtswisselingen in zijn woonplaats deden niet af aan het oordeel dat geen risico op ernstige schade bestond.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht van het algemene uitgangspunt in het landenbeleid Syrië was afgeweken en verklaarde het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië is vastgesteld.