Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
gemachtigde: mr. S. da Silva Curiël,
verwerende partij,
gemachtigde: P. Hulsegge
Rechtbank Den Haag
De werknemer heeft de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen, omdat een dringende reden ontbrak. De werkgever heeft het ontslag ingetrokken en een tegenverzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij herplaatsing niet mogelijk is.
Tijdens de mondelinge behandeling erkende de werknemer de onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie. De kantonrechter oordeelde dat er een redelijke grond voor ontbinding bestaat op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW juncto artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro, en dat herplaatsing niet mogelijk is.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juli 2021. De werknemer wordt vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris vanaf 5 november 2020 tot de ontbinding. De werkgever moet een bruto beëindigingsvergoeding van €61.000 betalen, inclusief een immateriële schadevergoeding van €2.000 en de transitievergoeding. Het concurrentiebeding komt te vervallen. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten en zijn gehouden tot geheimhouding over de beschikking.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juli 2021 met een bruto beëindigingsvergoeding van €61.000 en verval van het concurrentiebeding.