ECLI:NL:RBDHA:2021:4922
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na samenstelling ziekteperioden wegens voltooien wachttijd
Eiser was bedrijfsleider en meldde zich ziek op 29 december 2017. Na beëindiging van zijn dienstverband ontving hij een ZW-uitkering vanaf 1 februari 2018. Hij trad in januari 2019 in dienst bij een andere werkgever en zijn ZW-uitkering werd per 23 februari 2019 beëindigd na vaststelling dat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Op 21 maart 2019 meldde hij zich opnieuw ziek en kreeg een nieuwe ZW-uitkering toegekend.
Verweerder beëindigde de ZW-uitkering per 22 januari 2020 omdat de maximale periode van 104 weken was bereikt. Verweerder stelde dat de twee ziekteperioden samengeteld moesten worden omdat de onderbreking minder dan vier weken bedroeg, conform artikel 29, vijfde lid, van de ZW. Eiser betwistte dit en stelde dat hij volledig was hersteld en geen ZW-uitkering ontving tussen de ziekteperioden, waardoor de wachttijd opnieuw zou moeten beginnen.
De rechtbank oordeelde dat de ziekteperioden terecht zijn samengeteld omdat zij voortvloeien uit dezelfde oorzaak en elkaar met minder dan vier weken opvolgden. Het feit dat eiser tijdelijk ander werk verrichtte, verandert hier niets aan omdat de maatstaf de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid is. Er was geen medisch onderzoek gedaan naar zijn geschiktheid voor de functie van bedrijfsleider. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur.