Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 april 2021 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
In het besluit van 18 september 2020 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het bestreden besluit 2 ook ongegrond verklaard.
Overwegingen
Inleiding
Aanvraag vergunning ‘humanitair tijdelijk’ vanwege opsporing van mensenhandel
kunnenverlenen. Indien na het doen van aangifte al snel blijkt dat medewerking niet bijdraagt aan genoemde bestrijding, dient het verstrekken van een verblijfstitel in het kader van de richtlijn geen doel. Uit een kamerbrief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 juni 2019 blijkt dat naar schatting 90-95% van de aangiften van Dublinclaimanten geen opsporingsindicatie voor Nederland bevatten [7] . Dit slokt een groot deel van de capaciteit van de politie op, waardoor de opsporing en vervolging van andere mensenhandel zaken in het geding komen. De rechtbank is het eens met de in de brief vermelde constatering dat dit onwenselijk is en ziet daarin een rechtvaardiging voor het verschil in de vreemdelingrechtelijke afhandeling van aangiften van Dublinclaimanten en andere vreemdelingen. Gelet op het hoge geschatte percentage aangiften die leiden tot een sepotbeslissing, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de WODC onderzoek doet naar deze sepotbeslissingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000,
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie