ECLI:NL:RBDHA:2021:5514
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring woonruimte na relatiebreuk ondanks psychiatrische problemen
Verzoekster vroeg op 2 november 2020 een urgentieverklaring aan op grond van de hardheidsclausule van de Huisvestingsverordening Holland Rijnland 2019, omdat zij met haar minderjarige dochter na een relatiebreuk nog in één woning woont en psychische klachten ervaart. Verweerder wees de aanvraag af met het argument dat verzoekster het woonprobleem zelf kan oplossen, onder meer door het huren van een kamer, en dat de situatie geen toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
Verzoekster stelde dat haar psychiater een ernstige en bijzondere situatie constateerde die urgentie rechtvaardigt, en dat verweerder een medisch onderzoek moest laten verrichten indien hij dit betwistte. Verweerder handhaafde zijn standpunt dat geen sprake is van een acute woonnoodsituatie die niet zelf kan worden opgelost, mede omdat de dochter adequaat onderdak bij haar vader heeft en co-ouderschap is geregeld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat verzoekster de situatie zelf kan oplossen, ook door het huren van een kamer. De psychiater stelde weliswaar psychiatrische problemen vast, maar gaf geen bewijs dat verzoekster niet in een kamer kan wonen. Het belang van het minderjarige kind is voldoende betrokken, en de situatie van verzoekster onderscheidt zich niet zodanig van andere woningzoekers dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; de urgentieverklaring wordt niet toegekend.