ECLI:NL:RBDHA:2021:5531
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier humanitair tijdelijk na aangifte mensenhandel
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit bezittende persoon, heeft op 12 november 2019 aangifte gedaan van mensenhandel. De politie heeft deze aangifte op 14 november 2019 aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gemeld, die dit als aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier humanitair tijdelijk heeft behandeld. Het bestreden besluit van 17 februari 2020 wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Eiser stelde dat het enkel doen van aangifte als slachtoffer van mensenhandel voldoende zou moeten zijn voor een tijdelijk verblijfsrecht, ook al was er later een sepotbeslissing genomen. Hij voerde aan dat hij slachtoffer was van mensenhandel en seksuele uitbuiting als minderjarige in Italië en dat het tijdsverloop voor het horen hem niet kon worden verweten. Tevens voerde hij aan dat hij een privéleven in Nederland opbouwde en dat uitzetting strijdig zou zijn met artikel 8 EVRM Pro.
De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van artikel 16 van Pro de Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit en paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire, omdat het Openbaar Ministerie geen strafrechtelijke vervolging instelde wegens gebrek aan rechtsmacht. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het juiste toetsingskader hanteerde en dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor de vergunning. Ook waren geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking van het beleid rechtvaardigden.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser dat een lopende beklagprocedure recht zou geven op verblijf en oordeelde dat het recht op verblijfsvergunning pas herleeft indien het beklag gegrond wordt verklaard. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Ook de op coronavirus gebaseerde opschorting van overdrachten aan Italië gaf geen recht op verblijf. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning humanitair tijdelijk wordt ongegrond verklaard.