ECLI:NL:RBDHA:2021:5532

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2021
Publicatiedatum
1 juni 2021
Zaaknummer
C/09/606472 / FT RK 21/73
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsanering wegens niet te goeder trouw ontstane schulden

Verzoekster, een zelfstandig ondernemer met meerdere faillissementen in haar verleden, heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsanering (WSNP). De rechtbank beoordeelde het verzoek op 25 mei 2021 en hield een zitting met betrokkenen.

Uit het onderzoek van de curator en de overgelegde stukken blijkt dat verzoekster sinds 2016 betrokken is geweest bij meerdere faillissementen met lege boedels en aanzienlijke schulden, waaronder fiscale schulden. Er zijn onttrekkingen uit de boedel gedaan en de administratie was gebrekkig. Tevens is er sprake van een aanzienlijke schuld aan haar eigen B.V.'s die niet in het schuldenoverzicht zijn opgenomen.

De rechtbank oordeelt dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan, mede door de betrokkenheid bij faillissementsfraude en het niet kunnen bieden van verhaal voor de schulden. Hierdoor voldoet verzoekster niet aan de voorwaarden van artikel 288 Faillissementswet Pro. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de WSNP af, met de kanttekening dat toelating in de toekomst mogelijk is indien verzoekster haar ondernemerschap staakt en uitsluitend in loondienst werkt.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstane schulden en betrokkenheid bij meerdere faillissementen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies - enkelvoudige kamer
rekestnummer: C/09/606472 / FT RK 21/73
Vonnis van 1 juni 2021 (bij vervroeging)
op het verzoek van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode en woonplaats]
verzoekster.

1.De procedure

1.1.
Op 25 januari 2021 heeft schuldenaar een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
1.2.
Dit verzoekschrift is op 25 mei 2021 in raadkamer behandeld. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
  • [verzoekster], verzoekster;
  • [schuldhulpverlener], schuldhulpverlening, gemeente Zoetermeer;
  • [maatschappelijk werker], maatschappelijk werker;
  • [partner], partner van verzoekster.
1.3.
[Z] heeft op 25 mei 2021 een schriftelijke verklaring aan de rechtbank overhandigd. De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud daarvan.
1.4.
De rechtbank heeft het vonnis bepaald op heden.

2.De beoordeling van het verzoek

2.1.
Verzoekster is reeds jarenlang actief als zelfstandig ondernemer. Zij is in 2004 als kapster gestart met een kapsalon en is de loop der jaren eigenaar geworden van meerdere salons. Op enig moment zijn deze ondernemingen verkocht dan wel beëindigd en is in ieder geval ten aanzien van één kapsalon geen reële overnameprijs ontvangen van de nieuwe eigenaar. In het faillissement van de broer van verzoekster, [broer], (F.09/16/[000]) is in verband hiermee door de curator in 2017 melding gemaakt van faillissementsfraude, mede gericht tegen verzoekster.
2.2.
In 2013 is verzoekster als (middellijk) bestuurder van [A] B.V. en [B] B.V. gestart met de uitgave van boek over Nederland. De uitgave van dit boek is op een fiasco uitgelopen doordat de buitenlandse vertalingen dusdanig slecht waren dat het boek onleesbaar was. Als gevolg hiervan zijn beide B.V.’s in 2018 failliet verklaard. De faillissementen zijn opgeheven bij gebrek aan baten.
2.3.
In 2017 is verzoekster als bestuurder, aandeelhouder van [X] B.V. overgegaan tot de exploitatie van een restaurant op [straatnaam] te [plaatsnaam 1] en later op [plaatsnaam 2]. Deze activiteiten zijn in 2019 gestaakt, waarna de onderneming in 2020 failliet is verklaard, met benoeming van mr. Hartgring tot curator.
2.4.
Bij bericht van 11 februari 2021 heeft de curator de rechtbank het volgende bericht:
“Op basis van mijn onderzoek (…) constateer ik - omtrent het handelen van [verzoekster]- het volgende:
  • [verzoekster] is de afgelopen jaren, althans sinds 2016, betrokken geweest bij meerdere faillissementen. Deze faillissementen kenmerken zich door lege boedels en aanzienlijke schuldenlasten, waaronder fiscale schulden.
  • In deze faillissementen zijn door de (middellijk) bestuurder bedragen uit de boedel onttrokken.
  • In [X] B.V. zijn de jaarcijfers over 2018 te laat gedeponeerd en de administratie lijkt gebrekkig.
  • De verhaalsmogelijkheden, of het gebrek daarvan, bij [verzoekster] is steeds doorslaggevend geweest bij de beslissing af te zien van nader onderzoek naar aansprakelijkheden.
  • [verzoekster] is meermalen betrokken geweest bij het opstarten van (uiteenlopende) activiteiten in een besloten vennootschap welke na onduidelijke onttrekkingen veelal met (veel) schulden achterbleven (…)”
2.5.
Sinds 2019 is verzoekster bestuurder/aandeelhouder van [C] B.V., een restaurant in [plaatsnaam 3]. Verzoekster ontvangt een maandelijks salaris van € 1.800,-. Uit de door verzoekster overgelegde jaarstukken van 2020 en een recente uitdraai uit het grootboek van maart 2021 blijkt dat verzoekster een aanzienlijk schuld aan de B.V. heeft van € 40.260,83.
2.6.
Uit de door verzoekster afgelegde verklaringen blijkt dat zij vanwege financiële problemen sinds 2004 met grote regelmaat geld heeft geleend van vrienden en bekenden. Dit bedrag is in 2021 opgelopen tot € 295.255,87. Daarnaast heeft verzoekster nog andere zakelijke en privé schulden tot een bedrag van in totaal € 213.543,57. Haar totale schuldenlast bedraagt momenteel € 549.060,27.
2.7.
Een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering wordt, zo blijkt uit artikel 288 Faillissementswet Pro (Fw.), slechts toegewezen indien aan een drietal voorwaarden wordt voldaan, te weten: 1) het is aannemelijk dat verzoekster niet zal kunnen voortgaan met de betaling van haar schulden. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarvan in de huidige situatie worden gesproken, een schuldenlast van € 549.060,27 moet immers als vrijwel onaflosbaar worden beschouwd.
2.8.
Daarnaast is vereist dat 2) voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. Voor de beoordeling van de goeder trouw moet worden gekeken naar de wijze waarop de schulden sinds 2016 zijn ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan van enkele schulden niet worden gezegd dat deze te goeder trouw zijn ontstaan. Dit geldt in het bijzonder voor de schuld aan [X] B.V. ad € 54.155,22 uit 2019. Uit de bevindingen van de curator in dit faillissement blijkt dat sprake is van een gebrekkige administratie, fiscale schulden en een te late deponering van jaarrekening over 2018. Als bestuurder kan verzoekster reeds om die reden aansprakelijk worden gehouden voor het volledige tekort in het faillissement. Bovendien biedt zij geen verhaal voor de aanzienlijke schuld aan [X] B.V..
2.9.
Verzoekster is sinds 2019 als bestuurder, aandeelhouder betrokken bij [C] B.V. Er is opnieuw sprake van een aanzienlijke schuld van verzoekster aan de onderneming ad € 40.260,83. Deze schuld blijkt enkel uit de overgelegde jaarstukken en het grootboek, maar is niet vermeld in het schuldenoverzicht dat hoort bij het onderhavige verzoekschrift. Hierdoor ontstaat dat indruk dat verzoekster deze schuld welbewust heeft achtergehouden in het schuldhulpverleningstraject. Verzoekster biedt ook nu geen verhaal voor deze schuld. Zij heeft ter zitting evenmin kunnen aangegeven waaraan het geld is uitgegeven. Ook is niet duidelijk geworden waarom zij dit geld nodig had naast het loon dat uit dienstverband wordt ontvangen.
2.10.
Bij de afweging in het kader van de goeder trouw speelt tenslotte in negatieve zin mee dat verzoekster sinds 2016 als bestuurder is betrokken bij meerdere faillissementen, waarbij sprake is van een lege boedel met aanzienlijke schulden, die mede zijn ontstaan door privé onttrekkingen. In dit verband is in 2017 een melding van faillissementsfraude omtrent verzoekster gedaan. Dit alles maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden gezegd dat sprake is van schulden die te goeder trouw zijn ontstaan. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering zal worden afgewezen.
2.11.
Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat verzoekster in de toekomst met een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro. mogelijk wel kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank vereist dat zij niet langer optreedt als bestuurder van een door haar gedreven onderneming, zij haar aandelen overdraagt aan een derde en uitsluitend nog werkzaamheden in loondienst verricht. Er zal overduidelijk sprake moeten zijn van een wijziging van het handelen en gedrag van verzoekster, zodat het ontstaan van nieuwe schulden uit ondernemerschap is uitgesloten.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:
[verzoekster]
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats], NEDERLAND
wonende te [adres]
[postcode en woonplaats].
Gewezen door mr. A.C.M Höppener, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2021 in tegenwoordigheid van V.C. Moti, griffier.
De verzoekster heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag dat van deze zaak kennis moet nemen.