Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen
Coöperatie Park-Schiphol-Rijk U.A.,
het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland, verweerder
Schiphol Nederland B.V., vergunninghoudster
Rechtbank Den Haag
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland om een watervergunning te verlenen voor het lozen van stoffen afkomstig van een gronddepot met PFOS-verontreinigde grond in een poldersloot nabij Schiphol-Rijk.
De vergunning is verleend voor vijf jaar en het bezwaar van eiseressen is ongegrond verklaard. Eiseressen betogen dat PFOS een zeer zorgwekkende stof is en dat nul-emissie vereist zou moeten zijn. Verweerder stelt dat voor de lozingslocatie geen formele lozingsnormen gelden en dat de vergunning verenigbaar is met de Waterwet, mede door toepassing van best beschikbare technieken.
De rechtbank oordeelt dat eiseressen belanghebbenden zijn, maar dat het relativiteitsvereiste inhoudt dat de beschermde belangen onder de Waterwet niet strekken tot bescherming van hun bedrijfsbelangen. De Waterwet beschermt het natuur- en milieubelang, niet de belangen van omliggende bedrijven. Omdat de belangen van eiseressen niet met het beschermde belang verweven zijn, kan het beroep niet slagen.
De rechtbank komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de watervergunning voor PFOS-lozing wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van het relativiteitsvereiste.