ECLI:NL:RBDHA:2021:5708
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend financieel belang bij standplaatsvergunning
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker een last onder dwangsom opgelegd gekregen die het innemen van een standplaats in Noordwijk zonder vergunning verbiedt. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Verweerder herroept het primaire besluit maar weigert alsnog de gevraagde vergunning. Verzoeker stelt dat het niet kunnen innemen van de standplaats een groot financieel nadeel oplevert, met gevolgen voor de VOF, werknemers en investeringen. Ter onderbouwing is een brief van de boekhouder overgelegd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang financieel van aard is en dat er geen onomkeerbare situatie dreigt. Het verlies van circa 10% van de omzet vormt geen bedreiging voor de gehele bedrijfsvoering. Daarom ontbreekt het spoedeisend belang dat nodig is voor een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat verzoeker in de bodemprocedure alsnog kan proberen het besluit aan te vechten en eventueel schadevergoeding kan vorderen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend financieel belang.