ECLI:NL:RBDHA:2021:5709

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2021
Publicatiedatum
4 juni 2021
Zaaknummer
SGR 21/2667
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening rijbewijs ongeldigverklaring wegens niet tijdig onderzoek drugsgebruik

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren wegens het niet tijdig betalen van een onderzoek naar drugsgebruik. Tevens werd het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als onverwijlde spoed dat vereist. Verzoeker stelt dat hij vanwege zijn lichamelijke beperking en zijn vrijwilligerswerk als bezorger dringend een rijbewijs nodig heeft.

De rechter stelt echter vast dat verzoeker nog een bromfietsrijbewijs kan aanvragen, wat tegemoetkomt aan zijn beperkingen. Ook is niet gebleken dat verzoeker financieel afhankelijk is van het rijbewijs. Er is daarom geen sprake van een spoedeisend belang of een situatie die onmiddellijke voorziening vereist.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/2667

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Pernis-van de Wal).

Procesverloop

In het besluit van 12 augustus 2020 (primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard.
In het besluit van 17 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard omdat hij een onderzoek naar drugsgebruik moest laten doen, maar verzoeker dit onderzoek niet tijdig heeft betaald. Het bezwaar tegen dit besluit heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift één dag te laat is ingediend.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
4. Verzoeker heeft hierover aangegeven dat hij al langer dan één jaar zijn rijbewijs kwijt is. Hij heeft een lichamelijke beperking en om het leven makkelijker te maken, is een scooter noodzakelijk. Ook voor zijn vrijwilligerswerk als bezorger heeft hij een rijbewijs nodig.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen spoedeisend belang is. In de toelichting op het primaire besluit staat dat verzoeker nog wel een bromfietsrijbewijs kan aanvragen bij de gemeente. Met een bromfietsrijbewijs kan daarom worden tegemoetgekomen aan de lichamelijke beperkingen van verzoeker. Ook is niet gebleken dat verzoeker voor zijn werk of inkomen afhankelijk is van zijn rijbewijs.
6. Dit betekent dat er geen sprake is van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. Niet is gebleken dat verzoeker door het bestreden besluit in een (acute) noodsituatie raakt of in een situatie terecht komt die onomkeerbaar is. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.