ECLI:NL:RBDHA:2021:5722
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen
In deze bestuursrechtelijke zaak betreffende vreemdelingenrecht hebben verzoekers een voorlopige voorziening gevraagd om de uitzetting door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op te schorten totdat op hun beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter constateerde dat het beroep waarop het verzoek betrekking heeft, op 27 mei 2021 reeds is beslist. Hierdoor is er geen aanleiding meer om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd dan ook als kennelijk ongegrond beschouwd en afgewezen.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter K.M. de Jager in aanwezigheid van griffier G. de Keuning en is in het openbaar uitgesproken. Hiermee is het verzoek om schorsing van de uitzetting definitief afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitzetting op te schorten is afgewezen omdat het beroep reeds is beslist.