ECLI:NL:RBDHA:2021:5724
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling
In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht de vreemdeling via zijn gemachtigde om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou moeten voorkomen totdat het lopende beroep was beslist. De voorzieningenrechter baseerde zijn beslissing op de artikelen 8:81 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was omdat het onderliggende beroep op 27 mei 2021 reeds was beslist.
De voorzieningenrechter stelde vast dat er geen aanleiding was om de gevraagde voorziening te treffen, mede omdat het beroep waarop het verzoek betrekking had, niet langer openstond. Hierdoor kon het verzoek niet worden toegewezen.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter K.M. de Jager in aanwezigheid van griffier G. de Keuning en werd in het openbaar uitgesproken. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd derhalve afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting is afgewezen omdat het beroep reeds is beslist.