ECLI:NL:RBDHA:2021:5840
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen intrekking en terugvordering bijstandsuitkering
Eiser ontving een bijstandsuitkering die op grond van een onderzoek naar samenwoning met een partner is ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 1 april 2019 tot 14 juli 2019. Verweerder wijzigde na bezwaar de begindatum van de intrekking naar 17 mei 2019 en bracht een proceskostenvergoeding in mindering, waardoor een restvordering van €491,81 resteerde.
Eiser betoogde dat de startdatum onvoldoende was onderzocht en gemotiveerd, en dat verweerder zijn discretionaire bevoegdheid had moeten gebruiken om de terugvordering te verminderen. De rechtbank oordeelde dat verweerder de begindatum voldoende had gemotiveerd aan de hand van verklaringen van de partner en dat er geen discretionaire bevoegdheid bestond om van terugvordering af te zien, omdat de wet dit verplicht bij niet-nakoming van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering is ongegrond verklaard.