1.3.Voornoemd onderzoek heeft geresulteerd in het primaire besluit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de begindatum van de intrekking gewijzigd in 17 mei 2019 en een proceskostenvergoeding ten bedrage van € 1.050,- op de vordering in mindering gebracht, zodat een vordering van
€ 491,81 resteert. Verweerder is daarbij in zoverre van het advies van de bezwaarschriftencommissie afgeweken, dat de begindatum van de intrekking niet op 15 mei maar op 17 mei 2019 is bepaald. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat [A] op 12 juli 2019 heeft verklaard dat zij vanaf april tot en met half mei vier dagen in de week bij eiser verbleef en vanaf half mei zes dagen.
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en betoogt dat verweerder onvoldoende onderzoek naar de startdatum heeft verricht en de startdatum onvoldoende heeft gemotiveerd. Zijns inziens had de sociaal rechercheur moeten vragen of [A] met half mei 17 of 23 mei 2019 bedoelde omdat dit van belang is voor de hoogte van de terugvordering. Daarnaast had verweerder volgens eiser zijn discretionaire bevoegdheid moeten aanwenden omdat het bedrag dat wordt teruggevorderd lager is dan de door verweerder aan eiser en [A] te vergoeden proceskosten.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bepalen van de begindatum van de intrekking op 17 mei 2019 voldoende heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de verklaring van [A] dat zij vanaf half mei 2019 zes dagen per week bij eiser verbleef. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat de advocaat van [A] in een aanvullend bezwaarschrift heeft aangevoerd dat 17 mei de eerste dag van het tweede deel van de maand mei is omdat deze maand 31 dagen heeft. Verweerder heeft met het afwijken van het advies van de bezwaarschriftencommissie ten aanzien van de begindatum coulance betracht tegenover eiser om eventuele discussie hierover te voorkomen.
5. Ten aanzien van het aanwenden van discretionaire bevoegdheid overweegt de rechtbank dat verweerder ingevolge de artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid, van de Pw ertoe gehouden is de bijstandsuitkering in te trekken respectievelijk terug te vorderen indien een belanghebbende de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw niet nakomt. Van een discretionaire bevoegdheid is derhalve geen sprake. Ook zijn de rechtbank geen dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw gebleken op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van terugvordering had kunnen afzien.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.