Verzoekster, van Surinaamse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, welke door verweerder werd afgewezen op basis van het arrest Chavez-Vilchez. Tevens werd een tienjarig inreisverbod opgelegd. Verzoekster zit sinds januari 2019 een gevangenisstraf van 36 maanden uit, waarbij de feitelijke zorg voor haar minderjarige zoon bij Stichting NIDOS ligt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken van verzoekster en de afhankelijkheidsrelatie met haar zoon. Tevens is nagelaten te onderzoeken of de zoon terecht kan bij zijn erkende vader, wat relevant is voor de belangenafweging. Bij het opleggen van het inreisverbod heeft verweerder niet adequaat beoordeeld of er een actueel en ernstig gevaar voor de openbare orde bestaat, waarbij ook de belangen van het kind betrokken hadden moeten worden.
Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsrecht en het inreisverbod wordt gegrond verklaard. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe, waardoor verzoekster wordt behandeld alsof zij een EU-verblijfsrecht heeft, totdat een nieuw besluit is genomen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster.