ECLI:NL:RBDHA:2021:5862
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens motiveringsgebrek in bestuursrechtelijke terugkeerzaak
Eiser, houder van de Jordaanse nationaliteit, kreeg een terugkeerbesluit met vertrektermijn en een inreisverbod van één jaar opgelegd door verweerder op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde risico's vast dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, gebaseerd op het niet naleven van visumvoorwaarden en verblijf in Duitsland.
Eiser betwistte de gronden van het terugkeerbesluit niet, maar voerde aan dat het inreisverbod catastrofaal zou zijn voor het familiebedrijf waarin hij samen met zijn vader en broer werkt. De rechtbank constateerde dat verweerder deze omstandigheid niet had betrokken in zijn beoordeling en niet had gemotiveerd waarom dit geen reden was om het inreisverbod te verkorten of niet op te leggen.
Hierdoor oordeelde de rechtbank dat sprake was van een motiveringsgebrek in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep werd gegrond verklaard, het inreisverbod vernietigd en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het inreisverbod is vernietigd wegens motiveringsgebrek, het terugkeerbesluit blijft gehandhaafd.