ECLI:NL:RBDHA:2021:5963

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 april 2021
Publicatiedatum
10 juni 2021
Zaaknummer
C/09/610335 / KG ZA 21-351
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 117 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing strafvorderlijk beslag op cryptovaluta

Op 30 maart 2021 vond een doorzoeking plaats in het kader van een witwasonderzoek waarbij cryptovaluta werden aangetroffen op een telefoon in een woning van een zwager van eiser. De cryptovaluta, waarvan op een wallet de naam van eiser stond, werden in beslag genomen door het Openbaar Ministerie op grond van artikel 94 Sv Pro.

Eiser verzocht om teruggave van de cryptovaluta, maar het OM weigerde dit. Eiser startte een kort geding met de vordering tot opheffing van het beslag en betaling van een voorschot op schadevergoeding. Hij stelde dat het beslag onrechtmatig is omdat hij eigenaar is en er geen verdenking tegen hem bestaat, en dat hij een spoedeisend belang heeft vanwege koersdalingen en gemiste winstkansen.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uitkomst van de beklagprocedure niet kan afwachten, mede omdat het OM bereid is tot overleg over verkoop van de cryptovaluta. De vrees voor koersdalingen en gemiste winst is onvoldoende voor een spoedeisend belang. Ook de gevorderde schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.

De voorzieningenrechter wees de vorderingen af en veroordeelde eiser in de proceskosten. Het oordeel over de rechtmatigheid van het beslag dient in de beklagprocedure te worden gegeven.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het strafvorderlijk beslag op cryptovaluta wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/610335 / KG ZA 21-351
Vonnis in kort geding van 26 april 2021
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. F. Laros te Rotterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Openbaar Ministerie Rotterdam ) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. S.J.M. Bouwman te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;
- de door de Staat overgelegde producties;
- de op 19 april 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op 3 mei 2021 of zoveel eerder als mogelijk blijkt te zijn. Nadien is de vonnisdatum nader bepaald op heden.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 30 maart 2021 heeft een doorzoeking van de woning van een zwager van [eiser] plaatsgevonden in het kader van een onderzoek naar witwasgedragingen. Daarbij zijn op een in de woning aangetroffen telefoon verschillende applicaties gerelateerd aan cryptovaluta aangetroffen. In een applicatie is onder meer een wallet met valuta aangetroffen met daarop de naam van [eiser] . De cryptovaluta in de aangetroffen wallets zijn in beslag genomen op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) en naar de cryptowallet van het openbaar ministerie (hierna: OM) overgemaakt (hierna: het beslag).
2.2.
[eiser] heeft op 6 april 2021 het OM verzocht om tot teruggave over te gaan van de inbeslaggenomen inhoud/cryptovaluta van de wallet waarop zijn naam staat. Het OM heeft op 14 april 2021 aan [eiser] meegedeeld dat en waarom zij geen gehoor geeft aan dat verzoek.
2.3.
[eiser] heeft eveneens op 6 april 2021 een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam en daarbij verzocht om de teruggave van de inbeslaggenomen inhoud van de wallet te gelasten. De behandeling ter zitting in die procedure staat op dit moment gepland op 27 mei 2021.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:
het beslag op te heffen en de Staat te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de inbeslaggenomen cryptovaluta te retourneren, althans aan [eiser] de geldwaarde hiervan te retourneren indien de cryptovaluta zijn vervreemd, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- per dag of gedeelte daarvan;
de Staat te veroordelen tot betaling van een geldbedrag van € 6.000,- als voorschot op schadevergoeding;
met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten op de wijze zoals in de dagvaarding vermeld.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Het beslag is onrechtmatig. Duidelijk is dat de in beslag genomen cryptevaluta eigendom zijn van [eiser] . Tegenover hem bestaat geen verdenking. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij de opheffing van het beslag. Hij kan nu immers niet handelen met de cryptovaluta en loopt daardoor het risico op koersdalingen en hij loopt de kans mis om veel geld te kunnen verdienen. Van [eiser] kan daardoor niet worden gevergd dat hij de beslissing in de beklagprocedure afwacht.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat tegenover hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven.
4.2.
Aangezien met betrekking tot het beslag op grond van artikel 552a Sv beklag kan worden ingesteld, en ook al is ingesteld, kan [eiser] in dit geding alleen in zijn vordering sub 1 worden ontvangen als hij aannemelijk maakt dat hij de uitkomst van die – met voldoende waarborgen omklede – beklagprocedure niet kan afwachten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [eiser] daarin niet geslaagd.
4.3.
De stelling van [eiser] dat hij niet zal kunnen inspelen op eventuele koersdalingen is daartoe onvoldoende redengevend. De Staat heeft onweersproken gesteld dat het OM bij beslagen als deze vanwege de dreigende waardevermindering in beginsel gebruik maakt van de vervreemdingsbevoegdheid van artikel 117 Sv Pro. [eiser] heeft echter aan het OM aangegeven dat hij niet wenst dat het OM de valuta verkoopt. Dat komt voor zijn eigen rekening en risico. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat, als [eiser] alsnog een spoedige verkoop van de cryptovaluta wenst, het OM aan dat verzoek gehoor zal geven, mede nu de Staat ter zitting heeft verklaard dat het OM bereid is om met [eiser] in gesprek te gaan om concrete afspraken te maken over de verkoop.
4.4.
Voor zover [eiser] aan zijn standpunt ter grondslag legt dat hij de uitkomst van de beklagprocedure niet kan afwachten omdat hij daardoor mogelijk veel winst misloopt, aangezien hij de cryptovaluta niet op het juiste moment kan verkopen, kan dat ook niet redengevend zijn om in dit kort geding te worden ontvangen. Dat levert niet een voldoende spoedeisend belang op, nog daargelaten dat de cryptovaluta nog niet zijn verkocht en ervan uit mag worden gegaan dat het OM gehoor zal geven aan een verzoek van [eiser] om tot verkoop over te gaan. Dat is immers voor het OM het uitgangspunt, zoals hiervoor al overwogen.
4.5.
De situatie van [eiser] is ook onvergelijkbaar met de casus in de zaak waarnaar hij verwijst (ECLI:NL:RBROT:2017:466). Daarin was sprake van een situatie waarin aannemelijk was dat de betrokkene door het beslag binnen afzienbare tijd de kosten van zijn levensonderhoud niet meer zou kunnen betalen. Dat gelet op die uitspraak de in dit geding gestelde vrees voor koersschommelingen tot ontvankelijkheid zou moeten leiden, valt niet in te zien.
4.6.
[eiser] kan dus in deze procedure niet worden ontvangen voor zover het de vordering sub 1 betreft. Het door [eiser] gewenste oordeel over de rechtmatigheid van het beslag dient te worden gegeven in de beklagprocedure.
4.7.
[eiser] kan wel worden ontvangen in zijn tweede vordering betreffende het betalen van een voorschot op schadevergoeding. Voor toewijzing daarvan is in dit geding echter geen plaats. Wat het spoedeisend belang is bij toewijzing van die vordering is gesteld noch gebleken. In dit geding kan niet met de vereiste (grote) mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat er een rechtsgrond is voor het toekennen van een bedrag aan schadevergoeding. Het genoemde bedrag is bovendien op geen enkele wijze nader onderbouwd.
4.8.
De voorzieningenrechter zal de gevorderde voorzieningen daarom weigeren. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding als na te melden.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
weigert de gevorderde voorzieningen;
5.2.
veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.683,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht;
5.3.
bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.
ts