ECLI:NL:RBDHA:2021:6048

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
14 juni 2021
Zaaknummer
NL20.11390
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, met de Egyptische nationaliteit, diende op 24 februari 2020 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublin-verordening. Nederland had een verzoek tot terugname bij Duitsland ingediend, dat door Duitsland werd aanvaard.

Eiser stelde dat verweerder ten onrechte geen uitstel had verleend voor het indienen van een zienswijze, mede vanwege de coronamaatregelen die contact met zijn gemachtigde bemoeilijkten. De rechtbank constateerde dat verweerder meerdere malen uitstel had verleend en dat eiser alsnog tijdig een zienswijze had ingediend. Ook was niet gebleken dat contact onmogelijk was.

Verder voerde eiser aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet meer kon gelden vanwege mishandeling in Duitsland, maar dit was onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.11390

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: L.M.F. Verhaegh)

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft bij uitspraak van 19 augustus 2020 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat verzoeker niet mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist (NL20.11391).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Egyptische nationaliteit te bezitten. Op 24 februari 2020 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder die aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen uitstel heeft verleend voor het indienen van een zienswijze. Het was voor gemachtigde van eiser vanwege (de maatregelen die zijn getroffen als gevolg van de) coronacrisis moeilijk, dan wel onmogelijk om contact te krijgen met eiser. Verder stelt hij dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Vaststaat dat verweerder op 17 maart 2020 een voornemen heeft uitgebracht, dat eiser nadien tweemaal heeft verzocht om uitstel van het indienen van een zienswijze en dat verweerder die verzoeken heeft gehonoreerd. Na het aanvullend voornemen van 7 mei 2020 is eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een zienswijze in te dienen. Eiser heeft op 20 mei 2020 een zienswijze ingediend. Niet valt in te zien dat eiser vanaf 17 maart 2020 tot aan het bestreden besluit, ondanks de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus, niet de mogelijkheid heeft gehad om op een of andere wijze contact te hebben met zijn gemachtigde. Verweerder heeft in het verweerschrift terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat het voor gemachtigde onmogelijk is geweest om contact met eiser te hebben.
5. Eiser heeft niet onderbouwd waarom ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De enkele niet-onderbouwde stelling dat eiser in Duitsland is mishandeld is hiervoor onvoldoende.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000