ECLI:NL:RBDHA:2021:607

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 januari 2021
Publicatiedatum
28 januari 2021
Zaaknummer
AWB 19/9827
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vw 2000Art. 45b Vw 2000Art. 8 Vw 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens ontbreken ononderbroken rechtmatig verblijf

Eiser had een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn toenmalige partner, welke met terugwerkende kracht werd ingetrokken per 1 oktober 2018 vanwege het beëindigen van de relatie. Tegen deze intrekking heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.

Eiser vroeg op 30 april 2019 een verblijfsvergunning langdurig ingezetene aan, maar deze werd afgewezen omdat hij niet vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef op het moment van de aanvraag. De rechtbank oordeelt dat het toetsingsmoment het moment van aanvraag is, en niet een eerdere datum waarop eiser wel aan de voorwaarden voldeed.

Subsidiair stelde eiser dat de aanvraag als een verzoek om een verblijfsvergunning op humanitaire gronden moest worden beschouwd, maar dit werd niet gevolgd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskosten af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf voorafgaand aan de aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/9827
[V-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1979, van Boliviaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Elias).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2019 heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “verblijf bij partner [naam] ” ingetrokken met terugwerkende kracht met ingang van 1 oktober 2018. Bij afzonderlijk besluit van 14 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening “EU- langdurig ingezetene” afgewezen.
Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 november 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Op 16 december 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn toenmalige partner [naam] . Bij besluit van 14 oktober 2019 is deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van 1 oktober 2018, omdat de relatie met [naam] per die datum was beëindigd. Tegen deze intrekking heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.
2. Op 30 april 2019 heeft eiser verzocht om verlening van een verblijfsvergunning langdurig ingezetene. Deze aanvraag is afgewezen, omdat eiser op het moment van de aanvraag niet vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft verbleven op grond van een geldige verblijfsvergunning. Per 1 oktober 2018 had eiser immers geen rechtmatig verblijf in Nederland en de aanvraag is daarna ingediend. Deze zaak gaat over de afwijzing van die aanvraag.
3. Eiser heeft nu rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning “niet- tijdelijk humanitaire gronden”. De rechtbank overweegt ambtshalve dat eiser procesbelang heeft. [1]
Het oordeel van de rechtbank
4. Op grond van artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, onverminderd het eerste lid, de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van Pro de Vw 2000 heeft gehad, met inachtneming van het derde lid.
5. De relatie tussen eiser en [naam] was op het moment van de aanvraag verbroken. Eiser voldeed op dat moment dus niet aan de voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf, voorafgaand aan de aanvraag. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Volgens eiser moet verweerder echter niet uitgaan van het moment van de aanvraag, maar is het uitgangspunt een andere datum: 29 mei 2018. Op dat moment had eiser vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland en voldeed hij dus aan alle voorwaarden. De rechtbank volgt dit niet. Zoals verweerder terecht stelt, is het toetsingsmoment gelegen op het moment van het indienen van de aanvraag. Dat eiser ervoor heeft gekozen om zijn aanvraag niet op 29 mei 2018, maar op een later moment in te dienen, komt voor eisers eigen rekening en risico. Verweerder heeft de aanvraag dan ook op goede gronden afgewezen.
6. Eiser heeft subsidiair aangevoerd dat verweerder de aanvraag had moeten opvatten als een aanvraag om een verblijfvergunning met de beperking humanitair niet tijdelijk. De rechtbank volgt dat ook niet. Vast staat dat eiser op dit moment rechtmatig verblijf heeft op grond van deze beperking. Het belang om deze beroepsgrond nu nog te behandelen, ziet de rechtbank niet. Daarbij komt dat eiser zijn betoog dat verweerder de aanvraag om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen ambtshalve had moeten opvatten als een andere aanvraag, niet nader heeft onderbouwd.
Conclusie
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
mr. M.J.S. Kempers
mr. A.K. Mireku
griffier
rechter
afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten