ECLI:NL:RBDHA:2021:6216

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2021
Publicatiedatum
17 juni 2021
Zaaknummer
AWB 20/877
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:84 AwbArt. 64 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling proceskosten na intrekking verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de weigering van een verblijfsvergunning voor medische behandeling en verzocht om een voorlopige voorziening om in Nederland te mogen blijven tijdens de behandeling van het beroep. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft het bestreden besluit ingetrokken, waarna verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingetrokken en gelijktijdig verzocht om veroordeling van verweerder in de proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat door de intrekking van het bestreden besluit verweerder aan verzoeker is tegemoetgekomen, waardoor verweerder in beginsel gehouden is de proceskosten te vergoeden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die hiervan afwijken gebleken. De proceskosten worden vastgesteld op € 534,- volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht van € 178,-. De stelling van verweerder dat het griffierecht door de griffier moet worden terugbetaald wordt verworpen, omdat de wettelijke voorwaarden daarvoor niet zijn vervuld.

De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager op 10 juni 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 534,- en griffierecht van € 178,- na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/877
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Hadfy-Kovacs en mr. B. Kemalli-Aydin).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen de weigering om aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel medische behandeling te verlenen kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten en dat hij in die periode behandeld wordt als ware artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 op hem van toepassing.
Verweerder heeft het bestreden besluit ingetrokken.
Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met een gelijktijdig verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 20/876, plaatsgevonden op 27 mei 2021. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Kemalli-Aydin.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter in geval van intrekking van het verzoek omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb Pro in de proceskosten veroordelen.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder door het bestreden besluit in te trekken aan verzoeker is tegemoetgekomen. Dit brengt met zich dat verweerder in beginsel gehouden is om de door verzoeker gemaakte proceskosten te vergoeden. Dit zou alleen anders zijn wanneer er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer de noodzaak van verzoeker om het verzoek te doen uitsluitend aan zijn eigen handelwijze te wijten is. Van dergelijke omstandigheden is de voorzieningenrechter niet gebleken. De voorzieningenrechter ziet dan ook voldoende aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
3. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 534,- bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 534,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1. Verweerder kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het beroep in de zaak AWB 20/876 en het verzoek in deze zaak moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Bpb omdat sprake is van twee te onderscheiden rechtsmiddelen bij twee verschillende rechtsprekende instanties (de rechtbank en de voorzieningenrechter).
4. Ook moet verweerder op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden. Verweerder kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het in dit geval op de weg van de griffier ligt om het griffierecht terug te betalen. De gevallen waarin dit aan de orde is, staan limitatief omschreven in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb en doen zich hier niet voor. Er is immers geen sprake van dat verweerder schriftelijk heeft meegedeeld dat de uitvoering van het bestreden besluit wordt geschorst of dat de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht schriftelijk heeft medegedeeld de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ten bedrage van € 534,- (vijfhonderdvierendertig euro);
 draagt verweerder op om het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,- (honderdachtenzeventig euro) te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.