ECLI:NL:RBDHA:2021:6216
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling proceskosten na intrekking verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de weigering van een verblijfsvergunning voor medische behandeling en verzocht om een voorlopige voorziening om in Nederland te mogen blijven tijdens de behandeling van het beroep. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft het bestreden besluit ingetrokken, waarna verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingetrokken en gelijktijdig verzocht om veroordeling van verweerder in de proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat door de intrekking van het bestreden besluit verweerder aan verzoeker is tegemoetgekomen, waardoor verweerder in beginsel gehouden is de proceskosten te vergoeden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die hiervan afwijken gebleken. De proceskosten worden vastgesteld op € 534,- volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht van € 178,-. De stelling van verweerder dat het griffierecht door de griffier moet worden terugbetaald wordt verworpen, omdat de wettelijke voorwaarden daarvoor niet zijn vervuld.
De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager op 10 juni 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 534,- en griffierecht van € 178,- na intrekking van het bestreden besluit.