ECLI:NL:RBDHA:2021:6217

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2021
Publicatiedatum
17 juni 2021
Zaaknummer
AWB 20/876
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling in proceskosten na intrekking beroep verblijfsvergunning medische behandeling

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de weigering van de staatssecretaris om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen voor medische behandeling. Dit bezwaar werd kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker stelde vervolgens beroep in tegen dit besluit. De staatssecretaris trok het bestreden besluit in, waarna verzoeker het beroep introk en gelijktijdig verzocht om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.

De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding beoordeeld op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Geconstateerd werd dat het verzoek gelijktijdig met de intrekking van het beroep is gedaan en dat de staatssecretaris door het besluit in te trekken aan verzoeker is tegemoetgekomen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een veroordeling in proceskosten zouden uitsluiten.

De proceskosten werden vastgesteld op € 534,- op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 178,-. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht na intrekking van het bestreden besluit en beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/876
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzoek om een veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Hadfy-Kovacs en mr. B. Kemalli-Aydin).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen de weigering om aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel medische behandeling te verlenen kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft het bestreden besluit ingetrokken.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken met een gelijktijdig verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 20/877, plaatsgevonden op 27 mei 2021. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Kemalli-Aydin.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank bij afzonderlijke uitspraak en met toepassing van artikel 8:75 een Pro bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen, indien daarom bij de intrekking van het beroep wordt verzocht en verweerder geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
2. De rechtbank stelt vast dat het verzoek om een veroordeling in de proceskosten gelijktijdig met de intrekking van het beroep is gedaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder door het bestreden besluit in te trekken aan verzoeker is tegemoetgekomen. Dit brengt met zich dat verweerder in beginsel gehouden is om de door verzoeker gemaakte proceskosten te vergoeden. Dit zou alleen anders zijn wanneer er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer de noodzaak van verzoeker om beroep in te stellen uitsluitend aan zijn eigen handelwijze te wijten is. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet dan ook voldoende aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
3. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 534,- bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.
4. Ook moet verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ten bedrage van € 534,- (vijfhonderdvierendertig euro);
 draagt verweerder op om het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,- (honderdachtenzeventig euro) te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.