ECLI:NL:RBDHA:2021:6217
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling in proceskosten na intrekking beroep verblijfsvergunning medische behandeling
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de weigering van de staatssecretaris om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen voor medische behandeling. Dit bezwaar werd kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker stelde vervolgens beroep in tegen dit besluit. De staatssecretaris trok het bestreden besluit in, waarna verzoeker het beroep introk en gelijktijdig verzocht om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding beoordeeld op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Geconstateerd werd dat het verzoek gelijktijdig met de intrekking van het beroep is gedaan en dat de staatssecretaris door het besluit in te trekken aan verzoeker is tegemoetgekomen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een veroordeling in proceskosten zouden uitsluiten.
De proceskosten werden vastgesteld op € 534,- op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 178,-. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht na intrekking van het bestreden besluit en beroep.