ING verstrekte in 2012 een kredietfaciliteit aan een restaurant en kreeg borgstelling van de gedaagde voor €250.000. Na het faillissement van het restaurant in 2014 en het opheffen van het faillissement in 2017 met geringe baten, vorderde ING betaling van de borg.
De gedaagde stelde dat ING haar pandrecht niet had uitgeoefend en dat vanwege de coronapandemie onvoorziene omstandigheden bestonden die aanpassing van de borgstelling vereisten. De rechtbank oordeelde dat ING haar pandrecht wel degelijk had uitgeoefend en dat de gevolgen van de coronapandemie niet zwaar genoeg waren om de overeenkomst te wijzigen.
De rechtbank matigde de vordering van ING tot €100.000 en veroordeelde de gedaagde tot betaling hiervan, vermeerderd met rente en proceskosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten werd afgewezen wegens gebrek aan vordering in het petitum.