ECLI:NL:RBDHA:2021:6550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2021
Publicatiedatum
28 juni 2021
Zaaknummer
AWB 20/8244
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht de verzoekster de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die de uitzetting door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zou moeten voorkomen totdat op het beroep in een gerelateerde procedure was beslist.

De voorzieningenrechter overwoog dat op 10 juni 2021 reeds op het hoofdberoep was beslist, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond was. Er was geen aanleiding om de gevraagde maatregel te treffen, mede omdat de procedure met zaaknummer AWB 20/8243 reeds was afgerond.

Op grond van artikel 8:81 en Pro artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht werd het verzoek buiten zitting afgewezen. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter K.M. de Jager en openbaar gemaakt op 21 juni 2021.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting wordt afgewezen omdat het beroep reeds is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/8244
V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[Naam] , verzoekster,

gemachtigde mr. M.S. Yap,
tegen

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Overwegingen

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak buiten zitting.
De voorzieningenrechter is verzocht om hangende beroep in de procedure met zaaknummer AWB 20/8243 te bepalen dat verweerder de uitzetting van verzoekster achterwege dient te laten, totdat op het beroep is beslist.
In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, nu op 10 juni 2021 op het beroep is beslist. Het verzoek is kennelijk ongegrond en wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van G. de Keuning, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekend gemaakt op 21 juni 2021.
Afschrift verzonden op: