ECLI:NL:RBDHA:2021:6577
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Iraakse nationaliteit, diende op 22 januari 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uit Eurodac-onderzoek bleek dat eiser eerder asielaanvragen in België had ingediend, waarop Nederland een verzoek tot terugname deed dat door België werd geaccepteerd.
Eiser voerde in beroep aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens België niet langer geldt vanwege mishandeling en verkrachting die hij in België zou hebben ondergaan, en dat België hem onvoldoende bescherming bood. Ook stelde hij dat verweerder ten onrechte artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet toepaste. Verweerder mocht echter uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelde dat eiser onvoldoende concreet bewijs leverde van zijn beweringen. Daarnaast werd zijn medische problematiek niet onderbouwd met documenten.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat er geen bijzondere individuele omstandigheden waren die overdracht aan België onevenredig hard zouden maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.