ECLI:NL:RBDHA:2021:6698
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in bestuursrechtelijke AVG-zaak
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een bestuursrechtelijke AVG-zaak, stellende dat de rechtbank partijdig zou zijn vanwege het niet meenemen van bepaalde stukken in het dossier en een onjuiste motivering in een brief van de rechtbank.
De wrakingskamer beoordeelde of de rechterlijke onpartijdigheid daadwerkelijk schade had geleden of dat er een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid bestond. Uit de bestudeerde brief bleek dat de rechter nog geen beslissing had genomen op het verzoek om stukken toe te voegen, omdat dit de inhoud van de zaak betreft, en dat dit een normale procesbeslissing was.
De wrakingskamer concludeerde dat de brief geen blijk gaf van vooringenomenheid en dat het verzoek om wraking daarom ongegrond was. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij het indienen van het wrakingsverzoek.
De wrakingskamer benadrukte het uitgangspunt dat motivering van een procesbeslissing niet snel aanleiding geeft tot wraking, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing van partijdigheid vormen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.