Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:6700

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2021
Publicatiedatum
1 juli 2021
Zaaknummer
C/09/611382 / KG RK 21-493
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in zorgregeling

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij een zaak over wijziging van de zorgregeling van haar dochter. Zij stelde dat de rechter niet naar haar verhaal luisterde, haar niet liet uitpraten en alleen aandacht gaf aan de gecertificeerde instelling, waardoor sprake zou zijn van partijdigheid.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek op basis van het proces-verbaal van de zitting van 30 april 2021 en de schriftelijke reactie van de rechter. Uit het proces-verbaal bleek dat verzoekster voldoende ruimte had gekregen om haar verhaal te doen, ondanks dat zij enkele keren door de rechter werd onderbroken. De kamer oordeelde dat deze onderbrekingen niet voldoende waren om de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid aan te nemen.

De wrakingskamer stelde vast dat er geen andere feiten of omstandigheden waren die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter opleverden. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De procedure in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

De beslissing werd op 21 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag, bestaande uit de rechters S.W.E. de Ruiter, R. Cats en S.E. Postema.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens onvoldoende grond voor partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2021/32
zaak- /rekestnummer: C/09/611382 / KG RK 21/493
Beslissing van 21 mei 2021
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. J.C. van den Dries,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbenden in deze procedure zijn:
[belanghebbende],
wonende [woonplaats] ,
A. van Teijlingen,
de bijzondere curator,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
de gecertificeerde instelling.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 30 april 2021 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 3 mei 2021.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- verzoekster;
- [belanghebbende] ;
- [A] en [B] , namens de gecertificeerde instelling.
De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/587656 / JE-RK 20-256 tussen verzoekster en de gecertificeerde instelling.
2.2.
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De rechter luisterde niet naar haar verhaal, wilde haar niet laten uitpraten en luisterde alleen naar de gecertificeerde instelling. Daardoor is de rechter volgens verzoekster partijdig.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2
De behandeling op de zitting van 30 april 2021 betrof een (aangehouden) verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van de zorgregeling van de dochter van verzoekster. Het onderwerp van de zitting was met name de evaluatie van de begeleide omgang tussen verzoekster en haar dochter. De rechter had verzoekster als eerste het woord gegeven, maar zij wilde het verhaal van de bijzondere curator afwachten. Daarna reageerde verzoekster blijkens het proces-verbaal van de zitting niet inhoudelijk op het verhaal van de bijzondere curator en op het voorliggende verzoek. Zij wilde een uitgebreide toelichting geven op volgens haar ontbrekende belangrijke informatie, te weten seksueel misbruik van haar dochter. De wrakingskamer begrijpt dat verzoekster hierover wilde spreken, maar wijst er tegelijkertijd op dat de rechter de orde op de zitting dient te bewaken. De wrakingskamer is van oordeel dat uit het proces-verbaal blijkt dat verzoekster voldoende ruimte heeft gekregen haar verhaal te doen. Het enkele feit dat verzoekster een aantal keer is onderbroken door de rechter levert naar het oordeel van de wrakingskamer onvoldoende grond op om te kunnen spreken van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Nu de wrakingskamer voor het overige evenmin is gebleken van andere feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het verzoek tot wraking afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster;
• belanghebbende(n) in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.W.E. de Ruiter, mr. R. Cats en mr. S.E. Postema, in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.B. van Angeren en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.