ECLI:NL:RBDHA:2021:6742
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens hoofdverblijf buiten Nederland wegens motiveringsgebrek
Eiser, houder van een Ranov-verblijfsvergunning sinds 2007, verzocht om verlenging van zijn verblijfsvergunning. Verweerder trok deze in wegens het vestigen van het hoofdverblijf buiten Nederland, omdat eiser meer dan zes maanden in detentie in België verbleef.
Eiser betwistte dat detentie gelijkstaat aan verplaatsing van het hoofdverblijf en stelde dat de belangenafweging onvoldoende was gemotiveerd, met name het belang van de Staat werd niet concreet omschreven. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was tot intrekking, gezien het feitelijke verblijf buiten Nederland en de beleidsregels.
De rechtbank erkent het privéleven van eiser in Nederland, maar acht het niet uitgesloten dat hij in Servië een nieuw privéleven kan opbouwen. De belangenafweging van verweerder schiet echter tekort door het ontbreken van een concrete omschrijving van het staatsbelang en onvoldoende onderbouwing van de afweging.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.