ECLI:NL:RBDHA:2021:6743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2021
Publicatiedatum
1 juli 2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5154
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak

Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in een bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak. De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Tevens is artikel 8:83 Awb Pro van toepassing, waardoor de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak kan doen indien het verzoek kennelijk gegrond of ongegrond is.

De rechtbank verwees naar een gelijktijdige uitspraak in een bodemzaak (zaaknummer AWB 19/5153) waarin het beroep van verzoeker gegrond werd verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd. Omdat het primaire besluit vermeldde dat verzoeker het besluit in Nederland mag afwachten bij tijdig bezwaar, was een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening daarom af, maar veroordeelde de staatssecretaris wel in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 534,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast moet de staatssecretaris het door verzoeker betaalde griffierecht van € 174,- vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door rechter J.J.P. Bosman en griffier A.J. van Rossum op 4 juni 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, staatssecretaris veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/5154
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde mr. A.A. van Harmelen),
tegen

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M. Gaal-de Groot).

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Bij uitspraak van heden, zaaknummer AWB 19/5153 BEPTDN, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker onder meer gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak. Gelet op de mededeling in het primaire besluit dat verzoeker bij een tijdig bezwaar het besluit in Nederland mag afwachten, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Gelet op de uitkomst in de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,-.
  • bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 174,- aan hem
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2021.
griffier de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld