ECLI:NL:RBDHA:2021:6756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2021
Publicatiedatum
1 juli 2021
Zaaknummer
C/09/584512 / HA RK 19-677
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 RWNArt. 10:101 lid 1 BWArt. 10:101 lid 2 onder a BWArt. 10:100 lid 1 BWArt. 1:204 lid 1 aanhef en onder e BW (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling Nederlandse nationaliteit minderjarige door erkenning en nauwe persoonlijke betrekking

De rechtbank Den Haag heeft op 1 juli 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarin werd verzocht vast te stellen dat een minderjarige de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen door erkenning door zijn juridische vader, een Nederlandse man. De man had de minderjarige in België erkend terwijl hij gehuwd was met een ander. De rechtbank onderzocht of deze erkenning rechtsgeldig is en of er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige.

Uit de stukken en verklaringen bleek dat de man en de moeder van de minderjarige een relatie hadden en samen de verzorging en opvoeding van het kind verzorgden. Ondanks dat de man niet op hetzelfde adres kon worden ingeschreven vanwege een asielprocedure, was er een nauwe persoonlijke band. De rechtbank oordeelde dat de erkenning in België rechtsgeldig was en dat de nauwe persoonlijke betrekking voldoende was om de erkenning in Nederland te erkennen.

Op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) werd vastgesteld dat de minderjarige vanaf 11 januari 2011 de Nederlandse nationaliteit bezit. Het verzoek om dit vast te stellen werd toegewezen, het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De minderjarige heeft sinds 11 januari 2011 de Nederlandse nationaliteit verkregen door erkenning en nauwe persoonlijke betrekking.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 19-677
Zaaknummer: C/09/584512
Datum beschikking: 1 juli 2021

Beschikking op het op 2 december 2019 ingekomen verzoekschrift van:

[X]

verzoekster,
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , België, (hierna: [minderjarige] ),
wonende te [woonplaats] , België,
advocaat mr. A.P. van Elswijk te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen de IND,
zetelende te Den Haag,
vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Klis,

[Y] ,

de man,
wonende te [woonplaats Y] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • de brief van 4 februari 2020 van de IND;
  • de brief van 24 februari 2020 van de zijde van verzoekster, met bijlagen;
  • de brief van 29 april 2020 van de zijde van verzoekster;
  • de brief van 30 april 2020 van de IND, met bijlagen;
  • de brief van 28 juli 2020 van de zijde van verzoekster, met bijlagen;
  • het faxbericht van 3 augustus 2020 van de zijde van verzoekster, met bijlage;
  • de brief van 15 september 2020 van de zijde van verzoekster, met bijlagen;
  • de brief van 27 oktober 2020 van de IND;
  • de brief van 2 november 2020 van de IND;
  • het faxbericht van 10 november 2020 van de zijde van verzoekster;
  • de brief van 18 december 2020 van de IND;
  • het faxbericht van 30 december 2020 van de zijde van verzoekster, met bijlage;
  • de brief van 6 januari 2021 van de zijde van verzoekster, met bijlagen, tevens houdende een aanvullend verzoek;
  • het faxbericht van 8 januari 2021 van de zijde van verzoekster;
  • de brief van 23 februari 2021 van de IND.
Bij brief van 10 mei 2021 heeft verzoekster een verklaring van de man overgelegd. In deze verklaring, gedateerd 7 mei 2021, verklaart de man in te stemmen met het oorspronkelijke verzoek van 29 november 2019 en het aanvullende verzoek van 8 januari 2021.
Bij brief van 17 mei 2021 is de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om te concluderen en tevens uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. De officier van justitie heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Op 3 juni 2021 is de zaak ter zitting van deze rechtbank wegens de maatregelen in verband met het coronavirus digitaal behandeld (via Skype).
Hierbij zijn verschenen:
  • verzoekster;
  • de man;
  • mr. Van Elswijk;
  • mr. Van der Klis namens de IND.

Het verzoek en het standpunt van de IND

Het verzoekschrift - na wijziging - strekt ertoe dat wordt vastgesteld dat er tussen de man en [minderjarige] op 11 januari 2011 een nauwe persoonlijke betrekking bestond op grond waarvan [minderjarige] het Nederlanderschap vanaf dat moment heeft verkregen.
De IND heeft zich bij brief van 23 februari 2021 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het antwoord op de vraag of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige] .

Feiten

  • De man is op [geboortedatum Y] 1974 te [geboorteplaats Y] , Kenia, geboren. Hij heeft zich in 1997 in Nederland gevestigd.
  • Bij Koninklijk Besluit van 12 oktober 2001 werd aan de man het Nederlanderschap verleend.
  • De man is op [huwelijksdatum] 2004 te [huwelijksplaats] , Tanzania, gehuwd met [echtgenote Y] . Dit huwelijk duurt nog voort.
  • Verzoekster is op [geboortedatum X] 1980 te [geboorteplaats X] , Kenia, geboren. Zij is in het bezit van de Keniaanse nationaliteit.
  • [minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (België). Van zijn geboorte is op 11 januari 2011 aangifte gedaan. Op dat moment is [minderjarige] ook door de man erkend.
  • De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaatsnaam] , België, heeft op 8 mei 2020 een verklaring gezinssamenstelling afgegeven. Uit deze verklaring blijkt dat verzoekster, de man en [minderjarige] van 28 juli 2011 tot 19 januari 2012 op hetzelfde adres in België stonden ingeschreven.

Beoordeling

Standpunt verzoekster
Volgens verzoekster kan [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit ontlenen aan de man. De man is immers de juridische vader van [minderjarige] en hij was Nederlander op het moment van geboorte en erkenning van [minderjarige] . Daarbij komt dat er, vanaf het moment van de geboorte van [minderjarige] , sprake is van een nauwe, persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige] . Verzoekster heeft met de man samengewoond en zij hebben de verzorging en opvoeding van [minderjarige] toen samen gedaan. De man kon zich lange tijd niet inschrijven op het adres van verzoekster in België in verband met de asielprocedure die zij doorliep. Dit laat onverlet dat zij een zekere periode heeft samengewoond met de man. De man is vervolgens weer in Nederland gaan wonen omdat hij daar werk kon krijgen. Verzoekster heeft samen met de man getracht een Nederlands paspoort voor [minderjarige] aan te vragen maar dat is niet gelukt. [minderjarige] ondervindt er veel hinder van dat hij niet over een Nederlands paspoort beschikt. Hij kan hierdoor officieel niet bij de man op bezoek komen, en niet mee op schoolreisjes of met sportwedstrijden buiten België.
Standpunt IND
De IND heeft in zijn standpunt van 27 oktober 2020 geconcludeerd tot afwijzing van het oorspronkelijke verzoek en hieraan het volgende ten grondslag gelegd. De man is op enig moment gehuwd met iemand anders dan de moeder van [minderjarige] . Op het moment dat de man [minderjarige] erkende, duurde dit huwelijk nog voort. Naar Belgisch recht was op 11 januari 2011 erkenning door een gehuwde man van een kind van een andere vrouw dan zijn echtgenote mogelijk op grond van artikel 319 bis Pro Boek 1 van het Belgische Burgerlijk Wetboek. De man heeft [minderjarige] naar Belgisch recht rechtsgeldig erkend.
Vervolgens dient onderzocht te worden of de in België verrichte erkenning ook in Nederland kan worden erkend. Hiertoe dient naar Nederlands recht beoordeeld te worden of het aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen valt of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.
De IND heeft zich bij brief van 23 februari 2021 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het antwoord op de vraag of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige] .
Oordeel van de rechtbank
In geschil is of [minderjarige] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Toetsingskader
Uitgangspunt is dat het Nederlanderschap op limitatieve gronden wordt verkregen. Deze gronden staan vermeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op grond van artikel 4 lid 2 RWN Pro wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend Nederlander.
Niet in geschil is dat de man Nederlander is en was op het moment van zijn erkenning van [minderjarige] .
Erkenning van [minderjarige]
Zoals uit de stukken blijkt, was de man op het moment van erkenning van [minderjarige] gehuwd met [echtgenote Y]. Hoewel de man heeft aangegeven zowel in Nederland als in Kenia pogingen te hebben gedaan om dit huwelijk te laten ontbinden, is het huwelijk tot op heden niet ontbonden. Naar Belgisch recht kon hij als gehuwde man [minderjarige] erkennen en is de erkenning in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte vastgelegd. Ondanks zijn huwelijk met een ander dan de moeder van [minderjarige] , heeft de man [minderjarige] in België, naar Belgisch recht, rechtsgeldig erkend.
Of deze erkenning naar Belgische recht in Nederland kan worden erkend, wordt bepaald aan de hand van artikel 10:101 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) jo 10:100 lid 1 BW. Volgens dit artikel wordt een buitenlands tot stand gekomen rechtsfeit in Nederland van rechtswege erkend, tenzij de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Van strijd met de openbare orde is in elk geval sprake als de erkenning is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen (artikel 10:101 lid 2 onder Pro a BW).
Op grond van het recht dat gold ten tijde van de erkenning van [minderjarige] door de man (artikel 1:204 lid 1 aanhef Pro en onder e, BW (oud)), is een erkenning door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwde man nietig, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.
Nauwe persoonlijke betrekking
Volgens verzoekster en de man is de man de verwekker van [minderjarige] en bestaat er tussen hem en [minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking. Deze band bestond volgens verzoekster en de man vanaf het moment van geboorte van [minderjarige] . Verzoekster en de man hadden vanaf 2006 een relatie met elkaar en uit deze relatie is op [geboortedatum] 2010 [minderjarige] geboren. De man is bij de geboorte aanwezig geweest en verbleef in de tijd van de geboorte van [minderjarige] veel bij [minderjarige] en verzoekster. Hij heeft ook blijkens de overgelegde foto’s een nauwe persoonlijke band met [minderjarige] opgebouwd, door [minderjarige] mede te verzorgen en te onderhouden.
Dat er op de overgelegde foto’s een andere datum staat en dat de man zich niet eerder bij de vrouw heeft kunnen inschrijven, is ter zitting voldoende toegelicht door verzoekster en de man. De rechtbank is op grond van het verhaal van verzoekster en de man, alsmede de overgelegde foto’s van oordeel dat er ten tijde van de erkenning sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [minderjarige] en de man.
Het verzoek vast te stellen dat ten tijde van de erkenning sprake was van een nauwe persoonlijk betrekking kan dan ook als op de wet gegrond worden toegewezen. Dit betekent dat de door de man in België gedane erkenning van [minderjarige] in Nederland erkend kan worden.
Bezit van de Nederlandse nationaliteit
Zoals hierboven is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een rechtsgeldige erkenning door de man van [minderjarige] , die in Nederland erkend kan worden. De erkenning van [minderjarige] heeft na zijn geboorte en voor zijn zevende jaar plaatsgevonden. Dit betekent dat [minderjarige] op grond van artikel 4 lid 2 RWN Pro het Nederlanderschap heeft verkregen op het moment van de erkenning door de man.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat er op het moment van erkenning door [Y] van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , België, sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige] ;
stelt vast dat [minderjarige] vanaf 11 januari 2011 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, O.F. Bouwman en J.C. Sluymer, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. I.M. Talstra - Touwen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2021.