Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen meerdere omgevings- en watervergunningen die aan vergunninghouders zijn verleend voor de bouw van steigers en loopbruggen nabij haar ligplaats. Zij vordert een voorlopige voorziening om een bouwstop op te leggen en de steigers te laten verwijderen, omdat zij meent dat vergunninghouders onrechtmatig handelen door al met de werkzaamheden te zijn begonnen.
De voorzieningenrechter overweegt dat de werkzaamheden nog niet onomkeerbaar zijn en dat de steigers en loopbruggen na plaatsing ook weer verwijderd kunnen worden. Verweerders hebben verzekerd dat zij handhavend zullen optreden als de vergunningen ten onrechte zijn verleend. Verzoekster heeft onvoldoende spoedeisend belang aangetoond om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.
Daarom worden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Er wordt geen inhoudelijk oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de vergunningen. Ook wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms op 2 juli 2021.