ECLI:NL:RBDHA:2021:6777
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking verblijfsvergunning asiel
Verzoeker diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door verweerder op 2 juli 2020 werd afgewezen. Tegen dit besluit stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank. Vervolgens trok verweerder het bestreden besluit op 18 februari 2021 in, waarna verzoeker het beroep introk en tegelijkertijd vergoeding van proceskosten vorderde.
De rechtbank stelde vast dat het beroep werd ingetrokken vanwege de tegemoetkoming van verweerder door intrekking van het besluit en hernieuwde besluitvorming. Verweerder reageerde niet op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar had eerder aangegeven bereid te zijn een bedrag van € 525,- te vergoeden.
Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht oordeelde de rechtbank dat het verzoek kennelijk gegrond was. De proceskosten werden vastgesteld op € 534,-, gebaseerd op de kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van dit bedrag aan verzoeker.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 534,- aan verzoeker.