ECLI:NL:RBDHA:2021:6818
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, verzocht in Nederland om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam het verzoek niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Nederland had een verzoek tot terugname bij Duitsland ingediend, dat door Duitsland is geaccepteerd.
Eiser voerde aan dat zijn vingerafdrukken in Duitsland niet in het kader van een asielaanvraag maar van een strafrechtelijke aanhouding waren genomen, en dat hij aanspraak maakte op gezinshereniging met zijn broer die in Nederland asiel had aangevraagd. De rechtbank achtte echter aannemelijk dat de vingerafdrukken wel in het kader van een asielaanvraag in Duitsland waren genomen en concludeerde dat het bestaan van een gezinsband niet was aangetoond.
Daarnaast werd het beroep op de discretionaire bevoegdheid van verweerder om het verzoek onverplicht in behandeling te nemen afgewezen, omdat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij afhankelijk was van zorg door familie in Nederland of dat Nederland het aangewezen land was voor medische behandeling. Duitsland had met de acceptatie van het terugnameverzoek de verplichting om zorg en opvang te verlenen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.