ECLI:NL:RBDHA:2021:6856
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging EU-verblijfsrecht wegens werkloosheid en onvoldoende middelen van bestaan
Eiser, een Poolse EU-burger, maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn EU-verblijfsrecht te beëindigen omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De staatssecretaris stelde vast dat eiser geen arbeid verrichtte, niet aantoonde dat hij werkzoekende was, en onvoldoende middelen van bestaan had.
Eiser voerde aan dat hij werkzoekende was met reële kansen op werk, mede door eerdere economische contacten in Nederland, en dat hij onvrijwillig werkloos was geraakt door de coronapandemie. Tevens stelde hij dat de belangenafweging onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden en dat het belang van de Nederlandse staat niet zwaarder weegt.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende gemotiveerd had dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De herhaalde beroepsgronden konden niet slagen omdat eiser onvoldoende concreet had onderbouwd waarom het besluit onrechtmatig zou zijn. De belangenafweging was zorgvuldig en rechtmatig uitgevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het EU-verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard.