Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Bij de behandeling van het bezwaar heeft verweerder nieuwe stukken van eiser gekregen en aan de hand daarvan is de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld. Volgens verweerder heeft eiser een vast dienstverband voor onbepaalde tijd bij zijn voorlaatste werkgever op zijn eigen verzoek beëindigd, waarna hij op basis van een uitzendovereenkomst in dienst is getreden bij [B.V.] . Volgens verweerder had eiser de dienstbetrekking bij zijn voorlaatste werkgever moeten voortzetten, omdat hij bij [B.V.] een arbeidsovereenkomst aanging met een beperkte duur en voor slechts 10 uur per week. Dat leverde geen positieverbetering voor eiser op, zodat het beëindigen van de dienstbetrekking bij de voorlaatste werkgever moet worden gekwalificeerd als een gedraging waarmee eiser de verplichting die is neergelegd in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW niet of niet behoorlijk is nagekomen. Daarom is de aanvraag afgewezen.
In beroep voert eiser aan dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Hij had bij [B.V.] een reëel uitzicht op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als de dienstbetrekking die beëindigd is. Hij zou namelijk voor de duur van zes maanden worden gedetacheerd bij de opdrachtgever van [B.V.] (Mercedes Benz dealerbedrijven B.V. in Den Haag) en hij zou daarna zo goed als zeker een vast dienstverband krijgen bij de opdrachtgever. Die was namelijk erg tevreden over eiser, zoals blijkt uit een bij het beroepschrift gevoegd getuigschrift. Subsidiair stelt eiser dat er aanleiding is om in dit geval op grond van dringende redenen af te zien van het opleggen van een maatregel. Ook vindt hij dat alle perikelen rondom de coronacrisis moeten worden meegewogen.
.De criteria om verwijtbare werkloosheid vast te stellen (art 24, tweede lid, aanhef en onder b van de WW) gelden in dezelfde mate voor de beoordeling of een werknemer door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.
Beslissing
mr. R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2021.